12-sep-2003Het goud en de economische vrijheid Vrijwel alle étatisten over de hele wereld hebben één ding gemeen: een bijna hysterisch antagonisme ten opzichte van de gouden standaard. Zij schijnen te begrijpen - misschien beter dan veel consequente verdedigers van het laissez-faire principe - dat het goud en de economische vrijheid niet van elkaar te scheiden zijn, dat de gouden standaard een instrument van het laissez-faire principe is, en dat beide factoren onverbrekelijk met elkaar verbonden zijn.
Wil men de bron van hun antagonisme begrijpen, dan dient men eerst de specifieke rol van het goud in een vrije maatschappij te begrijpen. Geld is de algemene noemer van alle economische transacties. Het is dat goed, dat fungeert als een ruilmiddel, dat voor alle deelnemers in een ruileconomie aanvaardbaar is als betaling voor hun goederen of diensten, en dat zodoende kan fungeren als een norm van de marktwaarde en als een middel om waarde op te slaan, dat wil zeggen, om te sparen.
Het bestaan van zo'n goed is een dwingende voorwaarde om in een arbeidseconomie tot een bepaalde verdeling te komen. Als de mensen niet de beschikking hadden over een of ander goed met objectieve, waarde dat algemeen aanvaardbaar was als geld, dan zouden ze hun toevlucht moeten nemen tot de primitieve ruilhandel of gedwongen zijn om op boerderijen te wonen die geheel in hun eigen behoeften konden voorzien en af te zien van de onschatbare voordelen van de specialisatie. Als de mensen geen middel hadden om waarde op te slaan, dat wil zeggen, om te sparen, dan zou noch de planning op lange termijn, noch de ruilhandel mogelijk zijn. De keuze, welk ruilmiddel voor alle deelnemers in een economie aanvaardbaar is, geschiedt niet willekeurig. Ten eerste dient het ruilmiddel duurzaam te zijn.'In een primitieve samenleving met een laag welvaartspeil kan tarwe voldoende duurzaam zijn om als ruilmiddel te kunnen fungeren, aangezien de hele ruilhandel zich dan alleen zou concentreren rond de oogsttijd, zonder een waardesurplus achter te laten dat zou kunnen worden opgeslagen. Maar wanneer het opslaan van waarde wel een belangrijke voorwaarde is, zoals in samenlevingen met een hoog welvaartspeil en een hoge beschaving, dan dient het ruilmiddel een duurzaam goed te zijn, gewoonlijk een of ander metaal. Een metaal wordt meestal gekozen omdat het homogeen en deelbaar is; het kan in elke gewenste vorm en in elke gewenste hoeveelheid worden aangemaakt. Kostbare juwelen, bijvoorbeeld, zijn noch homogeen, noch deelbaar.
Nog belangrijker is, dat het goed dat als ruilmiddel wordt gekozen een luxe artikel moet zijn. Het menselijk verlangen naar luxe goederen is onbeperkt, zodat er altijd vraag naar bestaat en het altijd zal worden geaccepteerd. Tarwe is een luxe artikel in ondervoede beschavingen, maar niet in een welvaartsmaatschappij. Sigaretten zullen normaliter niet in aanmerking komen om als geld te fungeren, maar dat was wel het geval in het Europa van vlak na de tweede wereldoorlog, toen ze als een luxe werden beschouwd. De uitdrukking 'luxe goederen' impliceert schaarste en een hoge stukwaarde. Doordat het een hoge stukwaarde bezit, is zo'n goed gemakkelijk draagbaar; een ons goud is, bijvoorbeeld, een halve ton ruw ijzer waard.
In de beginstadia. van een zich ontwikkelende geldeconomie kunnen er verscheidene ruilmiddelen worden gebruikt, aangezien tal van goederen aan de gestelde voorwaarden zouden voldoen. Maar geleidelijk aan zal een van deze goederen, dank zij een grotere mate van algemene aanvaardbaarheid, de andere weten te verdringen. Welk goed voor het opslaan van waarde uiteindelijk de voorkeur zal krijgen, hangt af van de mate waarin het door iedereen als zodanig wordt aanvaard, en dit heeft dan weer tot gevolg dat de aanvaardbaarheid van dat goed nog verder toeneemt. Deze verschuiving zet zich net zo lang voort, totdat dat goed het enige ruilmiddel is geworden. Het gebruik van slechts een enkel ruilmiddel heeft dezelfde voordelen als die waardoor een geldeconomie zich in superieure zin onderscheidt van een ruileconomie: de ruilhandel kan hierdoor op een veel grotere schaal worden beoefend. Of het enige ruilmiddel nu bestaat uit goud, zilver, zeeschelpen, vee of tabak is ter keuze, dat hangt af van de aard en ontwikkeling van een bepaalde economie. In feite zijn ze allemaal, op verschillende tijden, wel eens als ruilmiddel aangewend. Zelfs in deze eeuw zijn twee van deze goederen, het goud en het zilver, nog als internationale ruilmiddelen gebruikt, waarbij het goud het zilver geleidelijk heeft verdrongen. Het goud, dat zowel artistieke als functionele toepassingen kent, en betrekkelijk schaars is, is altijd beschouwd als een luxe artikel. Het is duurzaam, draagbaar, homogeen en deelbaar, en heeft zodoende belangrijke voordelen boven alle andere ruilmiddelen. Sinds het begin van de eerste wereldoorlog is het vrijwel het enige internationale ruilmiddel geweest. Als alle goederen en diensten in goud zouden worden uitbetaald, dan zouden grote betalingen moeilijk uitvoerbaar zijn, en dit zou tot gevolg hebben dat de arbeidsverdeling en de specialisatie van een samenleving tot op zekere hoogte zouden moeten worden beperkt. Een logisch vervolg op de instelling van het ruilmiddel is dan ook de ontwikkeling van een bankstelsel en kredietmiddelen (bankbiljetten en deposito's) die als een vervangingsmiddel voor het goud fungeren, maar inwisselbaar zijn. Een vrij bankstelsel dat gebaseerd is op het goud, is in staat om krediet te verlenen en kan zodoende, overeenkomstig de produktiebehoeften van de economie, bankbiljetten (wettig betaalmiddel) en deposito's verstrekken. De individuele bezitters van goud worden, door het geven van rente, bewogen om hun goud op een bank te storten (waarvoor zij dan cheques kunnen innen.) Maar aangezien het zelden voorkomt dat alle beleggers tegelijkertijd al hun goud zullen opvragen, hoeft de bankier slechts een fractie van zijn totale gouddeposito in reserve te houden. Dit stelt hem in staat om meer uit te lenen dan hij werkelijk aan goud in zijn bezit heeft (wat betekent dat hij, als waarborg voor zijn deposito's, eerder aanspraak kan maken op goud dan hij feitelijk in bezit heeft). Maar het totaal aan leningen dat hij kan verstrekken is niet willekeurig: hij moet dit afmeten aan zijn reserves en aan de stand van zijn investeringen.
Wanneer banken geld lenen ter financiering van produktieve en winstgevende ondernemingen, dan worden de leningen snel afbetaald en blijft het bankkrediet algemeen beschikbaar. Maar wanneer de zakelijke ondernemingen die door een bankkrediet worden gefinancierd minder winstgevend zijn en langzaam worden afbetaald, dan merken de bankiers al gauw dat hun uitstaande leningen te hoog zijn in verhouding tot hun goudreserves, en dan beginnen zij de nieuwe leningen af te remmen, gewoonlijk door een hogere rente te gaan berekenen. Dit heeft dikwijls tot gevolg dat de financiering van nieuwe ondernemingen wordt beperkt, terwijl van de bestaande leners wordt vereist dat ze eerst hun winstgevendheid moeten zien op te voeren, vooraleer ze krediet kunnen krijgen voor verdere uitbreiding. Op die manier fungeert een op het goud gebaseerd vrij bankstelsel als de beschermer van de economische stabiliteit van een land en zorgt het voor een evenwichtige economische groei.
Wanneer het goud door de meeste landen als ruilmiddel wordt aanvaard, dan draagt een onbelemmerde vrije internationale goudstandaard ertoe bij om een wereldomvattende arbeidsverdeling en een zo groot mogelijke internationale handel te bevorderen. Ook al verschillen de ruileenheden (de dollar, het pond sterling, de franc, enz.) van land tot land, wanneer ze allemaal op het goud worden afgestemd, dan zullen de economieën van de verschillende landen toch een en dezelfde gedragslijn volgen - zolang de handel of de kapitaalbewegingen geen beperkingen worden opgelegd. De kredietverlening, de rentevoet en de prijzen zullen in de meeste landen hetzelfde patroon te zien geven. Wanneer, bijvoorbeeld, in een bepaald land de banken wat al te gul krediet verlenen, dan zal de rentevoet in dat land geneigd zijn te dalen, waardoor de beleggers zich genoopt voelen om hun goud over te hevelen naar banken in andere landen die een hogere rente uitkeren. Dit zal in het eerstgenoemde land onmiddellijk een tekort aan bankreserves veroorzaken, hetgeen weer zal leiden tot strengere kredietnormen en een terugkeer tot een hogere, en dus weer concurrerende rentevoet. Een volledig vrij bankstelsel en een volledig consequente goudstandaard zijn tot dusver nog niet bereikt. Maar reeds voor de eerste wereldoorlog was het bankstelsel in de Verenigde Staten (en in de meeste andere landen van de wereld) op het goud gebaseerd, en was het bankwezen, ook al kwam de overheid nu en dan tussenbeide, toch nog betrekkelijk vrij te noemen. Ten gevolge van een al te snelle kredietuitbreiding bereikten de bankleningen af en toe de grens van de goudreserves, waardoor de rentevoet scherp omhoog ging en de nieuwe kredieten abrupt werden afgesneden en de economie een krachtige, maar kortstondige recessie beleefde. (Vergeleken met de economische depressies van 1920 en 1932 waren de industriële inzinkingen van voor de eerste wereldoorlog inderdaad goedaardig te noemen.) Het waren voornamelijk de beperkte goudreserves, die de onevenwichtige expansie van de industriële activiteit een halt toeriepen, voordat ze al te grote afmetingen kon gaan aannemen. Na een betrekkelijk korte aanpassingsperiode wist de economie zich dan weer te herstellen, waarna de expansie kon worden hervat.
Maar het genezingsproces werd ten onrechte aangezien voor de kwaal: als het tekort aan bankreserves een industriële inzinking veroorzaakte aldus redeneerden de étatisten - waarom dan niet een methode gezocht om de banken extra reserves te verlenen, zodat ze nooit een tekort zouden hoeven te hebben! Als de banken onbeperkt geld konden blijven lenen - zo werd er beweerd - dan hoefde het bedrijfsleven nooit meer een recessie te ondergaan. En zo werd,in 1913 het Federal Reserve System ingesteld. Het bestond uit twaalf regionale Federal Reserve banken, die in naam eigendom waren van particuliere bankiers, maar in feite gesteund en geleid werden door de regering. Het krediet dat door deze banken wordt verleend, wordt in de praktijk (maar niet wettelijk) gesteund door het belastingapparaat van de federale regering. Strikt technisch bezien, bleven de Verenigde Staten gebaseerd op de goud-standaard; iedereen was nog steeds vrij om goud te bezitten, en het goud bleef gebruikt worden als bankreserve. Maar naast het goud kon nu ook het krediet dat door de Federal Reserve banken werd verstrekt (de zogenaamde'papieren'reserves) als wettig betaalmiddel worden gebruikt om de deposito-houders te betalen. Toen het bedrijfsleven in de Verenigde Staten in 1927 een lichte teruggang onderging, creëerde de Federal Reserve extra papieren reserves, in de hoop aldus een tekort aan bankreserves te voorkomen. Veel rampzaliger was echter de poging van de Federal Reserve om hulp te bieden aan Groot-Brittannië, dat veel van zijn goudvoorraad had zien wegvloeien naar de Verenigde Staten, omdat de Bank of England weigerde om de rentevoet te laten stijgen toen de marktomstandigheden daartoe dwongen (een dergelijke maatregel achtte men politiek onverteerbaar). De redenering van de hierbij betrokken autoriteiten was als volgt: als de Federal Reserve extra papieren reserves in de Amerikaanse banken zou pompen, dan zou de rentevoet in de Verenigde Staten dalen tot een peil dat vergelijkbaar was met dat in Groot-Brittannië, hierdoor zou er een eind komen aan Engelands goudverlies en zou de pijnlijke politieke beslissing om de rentevoet te moeten verhogen vermeden worden.
De Federal Reserve slaagde in haar opzet: er kwam een eind aan het goudverlies, maar ze vernietigde hiermee tevens bijna de hele wereldeconomie. Het extra krediet dat de Federal Reserve in de economie pompte stroomde door naar de aandelenmarkt - waardoor er een ongekende speculatieve hausse ontstond. Te elfder ure probeerden functionarissen van de Federal Reserve de extra reserves weer terug te nemen en tenslotte slaagden ze erin de hausse te doorbreken. Maar het was al te laat: tegen 1929 had de koortsachtige speculatiedrift zulke overweldigende afmetingen aangenomen, dat er een felle inzinking plaatsvond, die het vertrouwen van het bedrijfsleven totaal demoraliseerde. Dientengevolge stortte de hele Amerikaanse economie ineen. Groot-Brittannië verging het nog slechter, en in plaats van de gevolgen van zijn vorige dwaasheid zoveel mogelijk ongedaan te maken, maakte het zich in 1931 geheel los van de goud-standaard, waardoor ook het laatste restje vertrouwen de bodem werd ingeslagen, waarna er over de hele wereld een reeks van bankfaillissementen plaatsvond. De hele wereldeconomie belandde in de Grote Depressie van de jaren dertig. Met een logica die deed denken aan een vorige generatie beweerden de étatisten dat de goud-standaard grotendeels verantwoordelijk was voor het kredietdebâcle dat tot de Grote Depressie had geleid. Als de goud-standaard niet had bestaan, zo redeneerden zij, dan zou het opgeven door Engeland van de goud-standaard in 1931 niet over de hele wereld bankfaillissementen hebben veroorzaakt. (De ironie was, dat de Verenigde Staten sinds 1913 niet op een goud-standaard, maar op een, wat men zou kunnen noemen, 'gemengde goud-standaard' gebaseerd was; maar toch was het het goud dat de schuld kreeg.).
Maar het verzet tegen elke vorm van goud-standaard - vooral door een groeiend aantal voorstanders van de verzorgingsstaat - werd ingegeven door een veel subtieler inzicht: het besef dat de goud-standaard onverenigbaar is met een politiek van chronische overbesteding (het waarmerk van de verzorgingsstaat). Ontdaan van zijn academische jargon, is de verzorgingsstaat niets anders dan een mechanisme waardoor regeringen de rijkdom van de produktieve leden van een samenleving confisqueren teneinde allerlei sociale voorzieningen te kunnen betalen. Deze confiscatie geschiedt grotendeels door middel van de belastingheffing. Maar de voorstanders van de verzorgingsstaat zagen al gauw in dat als zij hun politieke macht wilden behouden, de belastingheffing toch binnen de perken gehouden moest worden, en zodoende moesten zij hun toevlucht nemen tot een massaal programma van overbesteding, dat wil zeggen, zij moesten geld lenen door het uitgeven van regeringsobligaties om aldus een reeks van sociale voorzieningen te kunnen financieren. Onder een goud-standaard wordt de hoeveelheid krediet die een economie kan verdragen bepaald door de tastbare activa van die economie, aangezien elke vorm van krediet uiteindelijk niets anders is dan een claim op het een of andere tastbare bezit. Maar regeringsobligaties worden niet gesteund door tastbare rijkdom, alleen door de belofte van de regering dat ze uit de belastinginkomsten zullen worden betaald, en ze kunnen zodoende niet gemakkelijk door de financiële markten worden opgenomen. Een groot deel van de nieuwe regeringsobligaties kan alleen tegen steeds hogere rentes aan het publiek worden verkocht. Op die manier worden de overbestedingen van de regering onder een goud-standaard ernstig belemmerd. Het loslaten van de goud-standaard maakte het de aanhangers van de verzorgingsstaat mogelijk om het bankstel te gebruiken als een middel tot onbeperkte kredietuitbreiding. Zij creëerden papieren reserves in de vorm van regeringsobligaties die - via een ingewikkelde procedure door de banken werden aanvaard alsof ze een werkelijk deposito waren, dat wil zeggen, alsof ze het equivalent waren van wat vroeger een gouddeposito was. De houder van een regeringsobligatie of van een uit papieren reserves bestaand bankdeposito gelooft dat hij een claim op echt bezit heeft. Maar feit is, dat er nu meer claims uitstaan dan er werkelijke activa zijn. De wet van vraag en aanbod kan niet worden gecommandeerd. Wanneer het aanbod van geld (van claims) toeneemt in verhouding tot het aanbod van tastbare bezittingen, dan moeten de prijzen op den duur wel stijgen. Op die manier gaan de spaargelden van de produktieve leden van de samenleving, in goederen uitgedrukt, duidelijk in waarde achteruit. Wanneer de economische boekhouding tenslotte weer in balans is gebracht, merkt men dat dit waardeverlies overeenkomt met de sociale voorzieningen die door de regering zijn betaald uit de opbrengst van de regeringsobligaties die gefinancierd zijn door de uitbreiding van het bankkrediet. Bij het ontbreken van de goud-standaard is het niet mogelijk om de spaargelden tegen de confiscatie door inflatie te beschermen. Er is geen veilige opslagplaats van waarde. Als die er wel was, dan zou de regering gedwongen zijn om haar aandelenpakket onwettig te creëren, zoals geschiedde in de kwestie van het goud. Als, bijvoorbeeld, iedereen zou besluiten om zijn hele bankdeposito om te zetten in zilver of koper, en vervolgens zou weigeren om cheques als betaling voor goederen te aanvaarden, dan zouden de bankdeposito's hun koopkracht verliezen en zou het door de regering gecreëerde bankkrediet waardeloos zijn als een claim op goederen. De financiële politiek van de verzorgingsstaat vereist dat de bezitters van rijkdom zich op geen enkele manier kunnen beschermen. Dit is het schandelijke geheim van de staatistische tirades tegen het goud. De overbesteding heeft alleen maar tot doel de rijkdom 'heimelijk' te confisqueren. Het goud staat dit verraderlijke streven echter in de weg. Het fungeert als de beschermer van de eigendomsrechten. Wanneer men dit eenmaal inziet, dan kost het weinig moeite om te begrijpen waarom de étatisten de goud-standaard zo vijandig gezind zijn. Alan Greenspan 12-sep-2003 Erik van Stek "Vrijwel alle staatisten over de hele wereld hebben één ding gemeen: een bijna hysterisch antagonisme ten opzichte van de gouden standaard." Vrijwel alle libertariers over de hele wereld hebben een ding gemeen: een bijna hysterisch geloof in de gouden standaard. Deze hysterie neemt inmiddels kennelijk zulke vormen aan dat de auteur van dit stuk zonder schaamte FED-chairman Greenspan als pseudoniem gebruikt. 12-sep-2003 Peter v M Erik, het artikel is daadwerkelijk door Alan Greenspan geschreven. Het dateert van 1966 en verscheen in het blad The objectivist en later ook in Ayn Rand (ed.), Capitalism: the unknown ideal. 12-sep-2003 Erik van Stek Verrassend! Kennelijk komt wijsheid met de jaren, zelfs bij centrale bankpresidenten. 12-sep-2003 Aschwin de Wolf Ook dit klopt niet, Erik. In antwoord op vragen van een Amerikaans congreslid stelde Alan Greenspan dat hij in principe nog steeds een voorstander van de gouden standaard is. "I've been recommending that for years, there's nothing new about that. It would probably mean there is only one vote in the Federal Open Market Committee for that, but it is mine", aldus Greenspan. Het is ook een beetje flauw om voorstanders van de gouden standaard een "hysterisch geloof" toe te schrijven. Als je denk dat de argumenten voor de gouden standaard, of voor een vaste onderliggende waarde in het algemeen, niet deugen schrijf dan een tegenartikel voor MV. 12-sep-2003 douwe tis nog verrassender: Het texaanse congreslid Ron Paul zit in een kamercommissie waaraan Alan Greenspan zijn beleid moet verantwoorden. Dhr Paul vraagt regelmatig of Sir Alan nog dezelfde mening is toegedaan als in 1966 aangaande dit artikel, en elke keer antwoordt 'ie bevestigend ... 12-sep-2003 douwe Aschwin was me net voor :-) 12-sep-2003 Bas Ik was altijd onder de indruk dat libertariers voor de goudstandaard zijn, omdat dit de uitkomst is van menselijke interactie in een vrije markt. Hier lijkt me al weinig "geloof" aan omdat het objectief is vast te stellen. Ik kan me niet herinneren dat geld ooit door overheden is ingevoerd als het panacee om de ruileconomieen te vitaliseren. Maar wellicht is mijn geest vertroebeld.... 12-sep-2003 Aschwin de Wolf Hoewel het denkbaar is dat iets wat door dwang tot stand komt ook op termijn op basis van vrijwilligheid had kunnen gebeuren is in dit geval volgens mij de dwang en het gesjoemel waarmee de gouden standaard werd vervangen door papieren geld een teken aan de wand. Waarom overheden (en banken) een gouden standaard zouden willen vervangen door fiat geld is betrekkelijk makkelijk te verklaren. De baten voor een expanderende overheid zijn enorm en de kosten kunnen gemakkelijk over de gehele bevolking worden verspreid. 13-sep-2003 Erik van Stek - evanstekGEEN@SPAMhotmail.com "Het is ook een beetje flauw om voorstanders van de gouden standaard een "hysterisch geloof" toe te schrijven." Tja, dat was een reactie op het artikel waarin werd gesproken over het 'hysterisch antagonisme' tegen de gouden standaard. Hoewel ik niet wil pretenderen slimmer te zijn dan Alan Greenspan, is de afkeer van de gouden standaard (of liever gezegd een breed gedragen voorkeur voor 'fiat geld') mijns inziens meer een kwestie van pragmatisme dan van hysterie. Een voortzetting van de Gouden Standaard in de vorige eeuw zou in ieder geval een bijna voortdurende en aanzienlijke deflatie hebben veroorzaakt, omdat de economie nu eenmaal enorm veel sneller is gegroeid dan de hoeveelheid goud in de wereld. Gelet op het fenomeen van nominale loonstarheid is een dergelijke deflatie een recept voor problemen. Ik vraag me af hoe Greenspan hier over denkt. Verder is het model van onafhankelijke centrale banken met een mandaat voor prijsstabiliteit in de afgelopen halve eeuw zeer succesvol geweest. De inflatie is laag en economisch gezien een non-issue, en de conjunctuurschommelingen tegenwoordig zijn nog maar flauwe afspiegelingen van de Grote Recessie. Alles bij elkaar vind ik de casus voor een herintroductie voor de Goudstandaard niet erg sterk. Mensen met weinig vertrouwen in het huidige geld staat het natuurlijk vrij om hun vermogen om te zetten in goud, maar als belegingsstrategie is dit niet echt een aanrader. Niettemin is het wel jammer dat er geen enkel land ter wereld is dat een daadwerkelijke goudstandaard gebruikt, al was het maar om een zinnige vergelijking mogelijk te maken. 13-sep-2003 Albert Spits - apspitsGEEN@SPAMhewitt.com Beste Erik, ik denk, dat je nog steeds misleid bent door het Keynesiaanse erfgoed. Goud (en zilver) is al 5000 jaar het geld van de mensheid geweest en dat is niet zonder reden. Overheden toen en nu waren en zijn niet te vertrouwen, dat weet elk weldenkend mens. Als wij hen de macht geven over het (fiat)geld gaan ze dat niet alleen gebruiken, maar ook misbruiken. Dit doen ze al 70 jaar, sinds de (gedeeltelijke) goudstandaard werd verlaten. Je vindt bijvoorbeeld deflatie een probleem, maar er zijn 2 soorten deflaties. De een is een afgeleide deflatie van dalende prijzen en deze komt voor uit een productieverhoging en/of efficientere productie (de computer-industrie kent zo'n deflatie al ruim 20 jaar). De andere is een echte deflatie en dat betekent een monetaire inkrimping. D.w.z. een algemene inkrimping van de geldhoeveelheid (M3). In mijn artikel "Deflatie, de nieuwe werkelijkheid" kun je meer daarover lezen, maar kort gezegd het fiatgeld verdwijnt waar het vandaan is gekomen, in het niets. Prijsdalingen leiden helemaal niet tot problemen in een gezonde economie gebaseerd op de goudstandaard, want de omzetten, inkomens en winsten blijven gelijk vanwege de efficientere inzetbaarheid van kapitaal, machines en mensen door het bedrijfsleven. Inflatie daarentegen wordt veroorzaakt door de overheid vanwege hun geldpompbeleid. Elk jaar worden de mensen beroofd van ca. 3% van hun geld, waarvan de zwakkeren in de samenleving altijd het grootste slachtoffer worden, omdat binnen dat jaar alles 3% duurder wordt en zij moeten wachten op prijscompensatie na dat jaar. Voor rijken is dit geen probleem, want zij kunnen dit niet alleen gemakkelijker dragen, maar zich ook indekken via derivaten en hedge-technieken. Vandaar, dat ik pleit om over te gaan op een wereldgoudstandaard i.p.v. van fiatvaluta zoals de dollar of de euro. 13-sep-2003 Aschwin de Wolf Dat is ook het probleem wat ik heb met het huidige systeem. Prijzen passen zich niet direct en gelijkmatig aan de veranderde geldhoeveelheid aan met als gevolg dat het vooral de staat en de grote banken zijn die van het manipuleren van de geldhoeveelheid profiteren. Verder wordt er altijd zo gemakkelijk gesteld dat "deflatie" slecht is voor de economie. Zoals Albert ook al stelt is het goed om een onderscheid te maken tussen deflatie als gevolg van een hogere arbeidsproductiviteit en lagere prijzen en deflatie als gevolg van een krimping van de geldhoeveelheid. In de media wordt herhaaldelijk gesteld dat deflatie leidt tot het uitstel van aankopen en daarmee tot economische neergang. Maar is deze theorie ooit zinvol empirisch getoetst? Wat zijn de uitkomsten? En verder: wat is er mis mee als consumenten rationeel reageren op veranderende prijzen? Geld dat niet aan consumptie wordt besteed verdwijnt namelijk niet in het niets. Waarom denken beleidsmakers altijd dat het een doel is om mensen zoveel mogelijk te laten consumeren (om de groei te stimuleren)? Het is oa. dit soort hersenloze consumptie om de consumptie retoriek die het (neo)liberalisme en de vrije markt zo'n slechte naam geven. In de toemomst is het overigens misschien pure noodzaak om over te gaan op zoiets als een gouden standaard (of zelfs fysiek gouden geld of een combinatie van pure elementen en een licht metaal) omdat door technologieen als moleculaire nanotechnologie er van elke vorm van papieren valuta volstrekt identieke copieeen te maken zijn. Voor mensen met enige scheikunde kennis zie Robert Freitas' interessante paper: Tangible Nanomoney: http://www.zyvex.com/Publications/papers/Nanomoney.html 13-sep-2003 Aschwin de Wolf Overigens het Erik gelijk dat goud als lange termijn belegging niet echt zinvol is. Maar dat hebben Henry Sturman en ik al op diverse andere websites beargumenteert. Dat goud wenselijk is als onderliggende waarde voor een munt betekent niet dat het noodzakelijkerwijs een goede belegging is. 13-sep-2003 René Aschwin schrijft: "In de toemomst is het overigens misschien pure noodzaak om over te gaan op zoiets als een gouden standaard (of zelfs fysiek gouden geld of een combinatie van pure elementen en een licht metaal) omdat door technologieen als moleculaire nanotechnologie er van elke vorm van papieren valuta volstrekt identieke copieeen te maken zijn". Maar is het dan niet mogelijk om met moleculaire nanotechnologie volstrekt identieke kopieën van fysiek gouden geld danwel van een combinatie van pure elementen en een licht metaal? 13-sep-2003 Koos - wilt_comma_koosGEEN@SPAMyahoo.com Ik begrijp de hele kwestie niet vanuit een technisch perspectief. En ik heb ooit twee solide cursussen economie gehad als rechtenstudent in NL. Als je een gouden standaard hebt, groeit de hoeveelheid geld dan? En als de hoeveelheid geld niet groeit, is er geen manier om nieuwe produkten te maken en te kopen? Een ondernemer besluit DVDs met ingebouwd digitaal horloge en telefoon met bijbehorend abbonnement voor telefoontjes naar Japan te gaan maken. Eerst stapt hij met een zakenplan naar de bank. Mensen die goud hebben zien er wel wat in, maar toch is er geen geld genoeg (want de hoeveelheid goud is beperkt). En wat nu? Ik snap het gewoon niet. In een ander scenario wordt er meer goud gevonden door knappe mijningenieurs. De prijs van elk goed verandert nu. Dat heeft niets te maken met vraag en aanbod, behalve de vraag van en het aabod van goud. Ondertussen is wel je nieuwe sportfiets ineens van waarde vernadert. Kortom, ik ken de technische argumenten voor het invoeren van de gouden standaard niet, of begrijp ze gewoon niet: een van de twee. Ik begrijp WEL dat de overheid niet willekeurig geld kan loslaten in de samenleving, want dan krijg je, als er geen produktie tegenover staat, meteen inflatie. Maar als de overheid een hoeveelheid geld zou loslaten die precies evenredig is aan de toegenomen productie van goederen en diensten (allen hoe stem je zo'n gelddrukronde en teogenomen productiviteit op elkaar af? We hebben een nieuwe variabele nodig voor de omloopsnelheid) zou er geen inflatie zijn. Ik begrijp dus conceptueel wel Keynes, afgezien van de vraag of ik er een mening over heb, maar ik begrijp de argumenten voor een gouden standaard niet. 13-sep-2003 Bas Koos, Wat leesplezier voor de zondagmiddag. Rothbard heeft een leesbaar stuk, ook voor niet-economen, geschreven over de goudstandaard en wat dit in de praktijk betekent. http://www.mises.org/money.asp 14-sep-2003 Erik van Stek - evanstekGEEN@SPAMhotmail.com "Beste Erik, ik denk, dat je nog steeds misleid bent door het Keynesiaanse erfgoed. Goud (en zilver) is al 5000 jaar het geld van de mensheid geweest en dat is niet zonder reden." Bij mijn weten zijn ook monetaristen (Milton Friedman en consorten) voorstander van moderne centrale banken. Hooguit verschillen Keynesianen en monetaristen van mening over de mate waarin vervolgens het monetair beleid actief moet worden ingezet om de de economie te stimuleren: keynesianen zijn hier dol op, monetaristen zien liever een eenvoudige geldgroeiregel. De gouden standaard is een stokpaardje van een klein clubje Oostenrijkers en libertariers, maar heeft verder niet echt veel aanhangers. Eigenlijk ben ik verrast door het feit dat dit debat uberhaupt nog plaatsvindt (wat ik overigens op zich aanmoedig; het is altijd nuttig om de status quo in twijfel te trekken). Het voornaamste probleem met een goudstandaard is mijns inziens dat, zoals ik eerder heb verteld, de hoeveelheid goud beperkt is. Bij een groeiende economie leidt dit tot een voortdurende deflatie, die er juist voor kan zorgen dat het evenwicht op de geldmarkt *niet* tot stand komt. Stel dat de 'natuurlijke evenwichtsrente' op 2% ligt. Als de inflatie 2% is en blijft en iedereen weet dit, zijn investeerders bereid om geld uit te lenen tegen 4%. Bij een inflatie van 0% wordt geld uitgeleend tegen een nominale rente van 2%. Maar bij een deflatie van 3% is niemand bereid om bij deze evenwichtsrente geld uit te lenen: een reëel rendement van 2% komt overeen met een nominale rente van -1% en dus komt de kredietverlening niet tot stand. Ik ben het er overigens wel mee eens dat deflatie als gevolg van innovatie in bepaalde sectoren geen probleem is en zelfs aan te moedigen valt. Dat bijvoorbeeld mobiele telefoons en digitale camera's steeds beter en goedkoper worden is prima. Maar een deflatie op grote schaal die de hele economie treft leidt gewoon tot problemen op de geld- en kapitaalmarkt. Verder probeer ik de redenering te volgen dat overheden baat hebben bij inflatie, maar ik slaag hier maar niet in. In tegenstelling tot wat kennelijk wordt gedacht, is noch in Europa noch in de VS sprake van monetaire financiering van de overheidsuitgaven. Tekorten dienen op de kapitaalmarkt te worden geleend, en in het verleden heeft de overheid net zo goed te maken gehad met rentepercentages van 10% of meer. De verzorgingsstaat wordt bepaald niet betaalbaarder door het opbouwen van een staatsschuld, want de rentelasten gaan na verloop van tijd steeds zwaarder op de begroting drukken, ten koste van andere uitgaven. Verder wordt denk ik te veel wijsheid aan politici en ambtenaren toegekend als wordt gesteld dat de overheid zo slim is om 'als eerste nieuw geld uit te geven' voordat de prijzen stijgen. Kijk maar eens bijvoorbeeld hoeveel moeite het kost om de kosten van de HSL en de betuwelijn in de hand te houden: de overheid heeft net zo goed last van inflatie. 14-sep-2003 Aschwin de Wolf Rene: "Maar is het dan niet mogelijk om met moleculaire nanotechnologie volstrekt identieke kopieën van fysiek gouden geld danwel van een combinatie van pure elementen en een licht metaal?" Nee. Moleculaire nanotechnologie stelt mensen in staat met uiterste precizie atomen te organiseren, niet het creeren van de elementen zelf. Dat is weer een heel ander verhaal. Erik: "Bij mijn weten zijn ook monetaristen (Milton Friedman en consorten) voorstander van moderne centrale banken." Nee. Milton Friedman is tegen centrale banken en zou naar eigen zeggen het liefst een computerprogramma zien dat de geldhoeveelheid met een volgens een aantal consistente criteria laat groeien. "De gouden standaard is een stokpaardje van een klein clubje Oostenrijkers en libertariers, maar heeft verder niet echt veel aanhangers." Niet alleen is de hoeveelheid aanhangers van een theorie een slechte indicatie van de waarheid ervan ook is de uitspraak niet geheel correct. In de eerste plaats zijn er een aantal neo-klassieke economen die ook niet zo enthousiast zijn over door de overheid gegarandeerd papieren geld (wat overigens niet betekent dat je per definitie voor de *gouden* standaard hoeft te zijn) zoals David Friedman en James M. Buchanan. Dat de continue deflatie de incentives in de markt verandert en de economische groei negatief beinvloed is echter wel een interessante stelling maar ik zou wel eens wat meer historisch empirisch onderzoek van die argumenten willen zien. Je stelt dat de meeste economen het niet eens meer zinvol vinden om over de gouden standaard te publiceren maar het probleem dat veel van die economen dat nooit de moeite hebben gevonden. Iedere keer als ik denk dat ik nu eens wat goede argumenten tegen de gouden standaard ga lezen dan stapt men over het hele onderwerp heen alsof het nogal evident is waarom die zo slecht is. Je kunt over de Oostenrijkers zeggen wat je wilt (en ik heb zelf in toenemende mate problemen met hun methodologische opvattingen) maar ik heb hun theorieen over geld altijd het sterkste gevonden. Niet in de laatste plaats omdat hun conclusies min of meer ook op basis van de 'public choice' benadering van de politiek kunnen worden onderschreven. Dit artikel van Hulsmann geeft volgens wel zo'n beetje alle argumenten van de Oostenrijkers over de negatieve effecten van deflatie weer. Ik ben benieuwd wat je hiervan vindt: http://www.mises.org/fullstory.asp?control=1254 15-sep-2003 Aschwin de Wolf Koos: "Ik begrijp de hele kwestie niet vanuit een technisch perspectief. En ik heb ooit twee solide cursussen economie gehad als rechtenstudent in NL. Als je een gouden standaard hebt, groeit de hoeveelheid geld dan?" Volgens mij is dit het minst overtuigende argument tegen de gouden standaard. Als gevolg van vraag en aanbod zal immers bij een toegenomen econmische groei de *koopkracht* van het bestaande geld toenemen en weer een evenwichtssituatie te bereiken. Het geld kan dan weer opgesplitst worden in kleinere eenheden waardoor het een praktisch betaalmiddel blijft. Kortom, dat de hoeveelheid goud min of meer constant is betekent niet dat de wet van vraag- en aanbod niet kan functioneren. Nu, een andere probleem is dan of die (over de gehele linie) constant dalende prijzen de incentives van deelnemers van het marktproces dermate veranderen dat dit een negatief effect heeft op de economische groei (zoals Erik stelt). Dit lijkt me een fatsoenlijk argument maar ik zou graag eens wat meer verwijzingen zien naar papers van serieuze economen over dit onderwerp. Op het eerste gezicht ben ik geneigd te zeggen dat bij een gouden standaard deelnemers aan de markt op deze ontwikkelingen anticiperen en door middel van financiele instrumenten dit onschadelijk kunnen maken. Maar ik ben geen econoom en ik ben benieuwd naar serieuze verhandelingen over dit onderwerp. Het is jammer dat de libertariers die tegen de gouden standaard zijn hier zelden over publiceren. Of heb ik wat gemist? 15-sep-2003 martin Erik, Stel dat de 'natuurlijke evenwichtsrente' op 2% ligt. Als de inflatie 2% is en blijft en iedereen weet dit, zijn investeerders bereid om geld uit te lenen tegen 4%. Bij een inflatie van 0% wordt geld uitgeleend tegen een nominale rente van 2%. Maar bij een deflatie van 3% is niemand bereid om bij deze evenwichtsrente geld uit te lenen: een re‰el rendement van 2% komt overeen met een nominale rente van -1% en dus komt de kredietverlening niet tot stand. Zodoende zou m.i. de conclusie van deze redenering moeten zijn: bij een deflatie van 3% zal de 'natuurlijke evenwichtsrente' nooit 2% zijn. Trouwens, als er geen krediet verleent wordt, kan er toch ook geen sprake zijn van een 'natuurlijke evenwichtsrente'? 15-sep-2003 martin Aschwin, en ik heb zelf in toenemende mate problemen met hun methodologische opvattingen Je maakt me nieuwsgierig.... 15-sep-2003 Aschwin de Wolf Ik schrijf op dit moment een recensie van Kirzner's boek over Ludwig von Mises en de Oostenrijkers dat dit jaar in Liberaal Reveil zal verschijnen (en wellicht later op MV of de site van de Bastiat stichting). Als je niet kunt wachten zie dit artikel van Bryan Caplan waar ik het grotendeels mee eens ben: The Austrian Search for Realistic Foundations 15-sep-2003 Harry - jensdensenGEEN@SPAMyahoo.com "Maar bij een deflatie van 3% is niemand bereid om bij deze evenwichtsrente geld uit te lenen: een reëel rendement van 2% komt overeen met een nominale rente van -1% " het is 5% 2+3=5%. :) Volgens mij is een voordeel van de goudstandaard dat de hoeveelheid geld en de hoeveelheid krediet niet meer aan elkaar gekoppeld zijn. Als een centrale bank krediet crëeert, dan crëeert ze gelijk ook geld, en als dat krediet dan terugbetaald wordt, dan verdwijnt ook dat geld. En dan wordt de rest van het geld meer waard en daarmee al het krediet ook en wil iedereen de boel ineens terugbetalen. Bij goud is dat niet zo, dat blijft gewoon bestaan en gaat terug naar de originele 'crediteur' of whatever. Koos: "En als de hoeveelheid geld niet groeit, is er geen manier om nieuwe produkten te maken en te kopen? " De hoeveelheid goud ligt vast (op kort termijn tenminste) maar de waarde of de koopkracht past zich gewoon aan aan de situatie. Dus de hoeveelheid geld (in de zin van totale waarde) kan wel groeien. "Een ondernemer besluit DVDs met ingebouwd digitaal horloge en telefoon met bijbehorend abbonnement voor telefoontjes naar Japan te gaan maken. Eerst stapt hij met een zakenplan naar de bank. Mensen die goud hebben zien er wel wat in, maar toch is er geen geld genoeg (want de hoeveelheid goud is beperkt). En wat nu? Ik snap het gewoon niet. " Dat is krediet, geld of goud is alleen maar een transportmiddel voor krediet. En krediet onstaat dan weer als mensen niet consumeren maar sparen. Tenminste, als er geen centrale bank is. Als er wel een centrale bank is dan crëeert die nieuw krediet (en geld) en ondernemers lopen daar dan mee de markt op en verschuiven de productie van consumptiegoederen naar kapitaalgoederen, waardoor de gemiddelde consument toch 'spaart' alleen dat zelf niet in de gaten heeft. Het keyniaanse idee was geloof ik dat mensen van zichzelf niet genoeg sparen. 15-sep-2003 Erik van Stek Aschwin schrijft: 'Dat de continue deflatie de incentives in de markt verandert en de economische groei negatief beinvloed is echter wel een interessante stelling maar ik zou wel eens wat meer historisch empirisch onderzoek van die argumenten willen zien.' Het onderwerp van deflatie staat de laatste tijd in een hernieuwde belangstelling, naar aanleiding van de situatie in Japan en ook de sterk gedaalde inflatie in de VS en de eurozone. Dit is een aardig, zij het lang stuk over dit onderwerp: http://www.imf.org/external/pubs/ft/def/2003/eng/043003.htm De onderstaande passage geeft de kern van de discussie aardig weer: "Both demand and supply shocks can lead to deflation. However, with demand shocks declining prices are likely to accompany falling demand for goods and services, while with supply shocks, declining prices might be accompanied by increases in output. Nonetheless, deflation is seldom benign. Regardless of its source, deflation leads to a redistribution of income from debtors to creditors. In addition, credit intermediation can be distorted as collateral loses value. Given the zero interest-rate floor, the effectiveness of conventional monetary policy is curtailed, and this is of particular concern when output is weakening. Persistent deflation risks turning into a deflationary spiral of falling prices, output, profits, and employment. Deflation can be costly and difficult to anticipate. Deflation was not uncommon in the nineteenth century, but even then its duration was often unanticipated. In the late 1920s and early 1930s, U.S. policymakers exacerbated deflation by underestimating its consequences and by failing to take aggressive action. In contrast, countries that exited the gold standard earlier-such as Sweden and Japan-recovered from deflation relatively quickly. Historically, deflation generally muted growth prospects, although it was mainly during the Great Depression that the most severe effects of deflation were felt." 15-sep-2003 Erik van Stek Aschwin schrijft: "Milton Friedman is tegen centrale banken en zou naar eigen zeggen het liefst een computerprogramma zien dat de geldhoeveelheid met een volgens een aantal consistente criteria laat groeien." Zoiets heb ik ook begrepen, maar in essentie heb je dan toch een centrale bank nodig? Er valt veel te automatiseren, maar uiteindelijk moet er toch een clubje mensen zijn dat namens deze computer de benodigde transacties met banken coördineert. Voor wat betreft de public choice theorie: op zich is inderdaad wel onderkend dat het niet verstandig is om politici voor centrale bankier te laten spelen. Onafhankelijkheid is een belangrijke randvoorwaarde voor centrale banken om succesvol te kunnen opereren en om op geloofwaardige wijze een lage inflatie na te streven. Er is zelfs een rechtstreeks verband tussen inflatie en de mate van onafhankelijkheid van centrale banken (de ECB scoort in dit opzicht erg goed). Vergelijk het met Odysseus die zichzelf aan de mast bindt om de verleiding van de Sirenen te weerstaan. 15-sep-2003 Gaius Geheel eens met de heer Greenspan. 'God zij met ons' wanneer de 'geld-kerk'leeg loopt. Groeten Gaius 16-sep-2003 yves Het nanotechnologisch probleem is heel eenvoudig, en in een minder verre toekomst op te lossen : geld op naam. Wees er maar gerust in dat bepaalde sociaal-democraten nu reeds kwijlen bij het idee alleen. Een soort bankrekening maar dan met bankbriefjes. Het belangrijkste probleem met deflatie, enkel als gevolg van geldschaarste, is een aanpassingsprobleem. De prijzen moeten een nieuw niveau vinden. Niet enkel die prijzen die dalen door overcapaciteit of produktiviteitsverbeteringen. Nu is er geen geldschaarste, en prijzen zijn voortdurend op zoek naar een nieuw soort evenwicht. Alleen, door het indexcijfer te willen manipuleren wordt het probleem verspreid naar meer sectoren van de economie. Als de intrest bijna nul is, is dat inderdaad een probleem voor een centrale bank. Dan hebben ze niet veel meer te doen. Maar dat is daarom niet slecht voor de economie, als oorzaak van het probleem. De intrest is laag door kredietcreatie. Het is een probleem dat centrale banken zelf veroorzaken. Ook het probleem van overcapaciteit wordt door centrale banken veroorzaakt, omdat ze de "boom" versterken en verlengen. Het is intressant om te lenen als de intrest minder is dan de opbrengst van de investering. Dat bij een wijziging van het indexcijfer met -3% niet geleend wordt is dan ook nonsens. Als die prijsdaling het gevolg is van produktiviteitsverbetering gaat de economie goed, en zijn er betere investeringsmogelijkheden. 17-sep-2003 Erik "Dat bij een wijziging van het indexcijfer met -3% niet geleend wordt is dan ook nonsens. Als die prijsdaling het gevolg is van produktiviteitsverbetering gaat de economie goed, en zijn er betere investeringsmogelijkheden" Bij een gouden standaard zijn prijsdalingen maar zeer ten dele het gevolg van productiviteitsstijgingen. Er is gewoon geen mogelijkheid om de hoeveelheid geld met de economie mee te laten groeien. Wellicht wordt goud zelfs schaarser omdat de vraag vanuit bepaalde sectoren (tandheelkunde, computerindustrie) toeneemt. En wellicht is het over 20 jaar mogelijk om goud te maken uit een ander metaal en ontstaat hyperinflatie onder de veelgeprezen gouden standaard. Het probleem bij deflatie van enige omvang in het algemeen is dat productieve investeringen juist niet tot stand komen, omdat de bereidheid om geld uit te lenen daalt. Als de eurozone te maken zou krijgen met een deflatie van 5%, valt eenvoudig in te zien dat de kredietverlening wordt gedecimeerd en dat potentieel renderende investeringen niet tot stand komen. Voor het overige leidt deflatie net zo goed tot herverdeling als inflatie. Vreemd dat dit nooit wordt genoemd. 17-sep-2003 Aschwin de Wolf Het grootschalig veranderen van het ene element in het andere (femtotechnology) zal nog wel even op zich laten wachten maar de mogelijkheid om *exacte* copieen te maken van een object (zoals een bankbiljet of de mona lisa) is mogelijk wel een "zorg" van deze eeuw. Zoals al eerder gezegd denk ik dat de discussie niet exclusief over de gouden standaard zou moeten gaan maar over papieren geld versus elke andere mogelijk standaard (andere metalen, een mandje goederen etc.) en het idee van concurrerende valuta (Hayek). 17-sep-2003 Aschwin de Wolf Erik schrijft: "Het onderwerp van deflatie staat de laatste tijd in een hernieuwde belangstelling, naar aanleiding van de situatie in Japan en ook de sterk gedaalde inflatie in de VS en de eurozone." In deze discussie stel je dat we een onderscheid kunnen maken tussen goede en slechte deflatie. De auteur van dit artikel stelt dat er in Japan nu juist sprake was van "goede" deflatie en dat bijdrukken van geld en het artificieel verlagen van de rente juist de situatie in Japan hebben verslechterd: Richard C.B. Johnsson - Deflation – Some Classical Lessons from Japan: Abstract: In the general economic discourse, deflation, i.e. falling average prices, is something terrible. The fear of deflation is spreading and has for example prompted the Federal Reserve to assure us that they will do their best to prevent it from ever occurring in the U.S. In this paper, it is argued that this view on deflation essentially is flawed, since it ignores the causes of the falling prices. By acknowledging the idea that prices could fall also because of an increasing production and supply, a different view emerges. This cause is generally highly beneficial and is in turn a consequence of eager businessmen and entrepreneurs cutting prices and providing better products, so that each dollar affords more. The commonly acknowledged cause, on the other hand, creates various problems like falling general profitability and debt repayment problems, i.e. the problems generally connected to deflation. Thus, we could speak of “good” and “bad” deflation. Japan is generally regarded to be the schoolbook example of bad deflation. However, as this alternative view is applied to the economic development in Japan during 1990-2001, two distinct lessons emerges: (i) deflation appears to have occurred because of increasing production and supply of goods and services at least for some years of the mid 1990’s, and (ii) based on the more common view on deflation, official monetary and fiscal policies first misjudged the development and then managed to turn things around to the worse, indeed, to exactly the kind of situation they believed they where combating! To avoid the problems of Japan from spreading, it is essential that these lessons are learnt. Full text version of the paper: 18-sep-2003 Harry - jensdensenGEEN@SPAMyahoo.com > Als de eurozone te maken zou krijgen met een deflatie van 5%, valt eenvoudig in te zien dat de kredietverlening wordt gedecimeerd en dat potentieel renderende investeringen niet tot stand komen. Als je geld uitleent, dan heb je toch gewoon de rente + die 5% ?. Het is toch niet zo dat je moet kiezen tussen die twee? Er zijn volgens mij geen economische argumenten tegen goud, het is een politieke kwestie. Net als dat 'de euro' een puur politieke kwestie is. Als de euro namenlijk een feit is dan is politieke centralisatie onvermijdelijk. Of de euro faalt, Of alles wordt vanuit brussel bepaald, er is geen tussenweg. 20-sep-2003 Albert Spits - apspitsGEEN@SPAMhewitt.com Er zijn een aantal zaken, waar Erik aan voorbij gaat. Hij noemt de monetairistische roep om meer geld bij te drukken, omdat anders de geldhoeveelheid niet toereikent is om de economie op gang te houden. In de jaren 80 en 90 van de 19e eeuw speelde dit fenomeen ook. Er was toen een prijsafname, of afgeleide deflatie, dit vanwege de enorme productiviteitsverhoging, die toen plaats vond in de industrieële landen. De rente bleef toen onverminderd op ca. 2-3% staan en dat is ook te verklaren, omdat men alleen leent als het rendement voldoende niet alleen om de schuld en intrest te betalen, maar ook om nog een netto-winst te realiseren. De computer-industrie had in de jaren 80 en 90 van de 20e eeuw ook te maken met deze situatie en toch startten er veel computer-bedrijven op in die tijd en had men in die tijd geen problemen om aan zowel de lening als intrest te voldoen. De goudstandaard, of welke standaard op basis van een schaars goed dan ook, heeft als groot voordeel, dat de overheid aan beperkingen is gehouden en het dus geen schulden kan maken, die men niet kan terugverdienen, zoals nu bijvoorbeeld het geval is met onze westerse verzorgingstaten. Ook ben ik het niet eens met Erik, dat maar weinig economen zich bezig houden met de goudstandaard. In feite alle centrale-bankeconomen houden zich terdege bezig met de goudstandaard. Sir Edward George van de Bank of England heeft onlangs nog gezegd: ,,We looked at $330 gold and we looked into the abyss. Hiermee doelde hij op de monetaire problemen bij alle centrale banken, want hun fiatgeld is gebaseerd op vertrouwen en wanneer dat vertrouwen wegvalt of dreigt weg te vallen, dan wordt de basis onder dit hele fiatsysteem weggeslagen. Goud is altijd de vijand geweest van elke collectivist of collectivistische instelling, van Vladimir Ilich Lenin: ,,Ik hoop op een tijd, dat we goud gaan gebruiken voor de vloeren van latrines", tot aan John Maynard Keynes: ,,Goud is een barbaarse relikwie". Van alle fiatmunten, die ooit hebben bestaan, hebben geen van alle het goud (en zilver) overleefd. In feite het verlaten van de goud- (en zilver)standaard heeft in alle gevallen geleid tot een ineenstorting van veel beschavingen. Het westen heeft de werkelijke goudstandaard al sinds 1914 verlaten en 90 jaar later zien we niet alleen de teloorgang van de verzorgingsstaten, maar ook van alle fiatmunten. Mijn voorspelling is dan ook, dat na deze zich nog ontwikkelende crisis, de goudstandaard weer in ere zal worden hersteld, ofschoon we dan in een geheel andere samenleving zullen leven. 23-sep-2003 Aschwin de Wolf "Goud is altijd de vijand geweest van elke collectivist of collectivistische instelling, van Vladimir Ilich Lenin: ,,Ik hoop op een tijd, dat we goud gaan gebruiken voor de vloeren van latrines", tot aan John Maynard Keynes: ,,Goud is een barbaarse relikwie"." Interessant punt. Het is op zich geen argument voor de gouden standaard maar het is mij ook opgevallen dat de meest rabiate tegenstanders van de gouden standaard doorgaans socialisten of collectivistische economen zijn. Als je toch al in de onmetelijke goedheid van de staat gelooft dan ligt het natuurlijk voor de hand dat je (ook) denkt dat een "door de staat gegarandeerde" valuta beter is dan zo'n ouderwets edelmetaal. Zo schreef de Duitse econoom Georg riedrich Knapp al in 1905 "Money is the Creature of law". Je kunt het de collectivisten niet inconstistentie verwijten: geld is een creatie van de staat, recht is een creatie van de staat, veiligheid en defensie is een creatie van de staat etc, etc... 24-sep-2003 Erik van Stek Aschwin schrijft: "Je kunt het de collectivisten niet inconstistentie verwijten: geld is een creatie van de staat, recht is een creatie van de staat, veiligheid en defensie is een creatie van de staat etc, etc..." De invalshoek van economen is niet a priori collectivistisch; de kwestie die centraal staat is hoe ervoor kan worden gezorgd dat geld een neutrale rol speelt in de economie, dat wil zeggen dat van de monetaire sfeer geen verstorende rol uitgaat. Moderne centrale banken blijken in dit opzicht goed te functioneren. Het valt me op dat 'goudaanhangers' wel enige inconsistentie te verwijten valt. De voornaamste kritiek op het bestaande systeem is de ongewenste herverdeling als gevolg van inflatie. Grondstoffen (en dus ook metalen) staan echter aan veel grotere waardeschommelingen bloot; een voorspelbare en door financiële markten ingeprijsde inflatie van zo'n 2% maakt bij een metaalstandaard plaats voor een onzekere en volatiele inflatie of deflatie. Er zijn wel hedgemogelijkheden op financiële markten tegen dit soort onzekerheid (bv inflation linked leningen), maar per saldo is onzekerheid niet efficiënt. 26-sep-2003 Aschwin de Wolf Ik wil de vraag of de meeste economen collectivistisch denken verder in het midden laten maar wat je schrijft over de wenselijkheid van de neutrale functie van geld is ook de opvatting van de Oostenrijkers (waarmee ik het overigens lang niet altijd eens ben). Waar het verschil ligt met de meeste mainstream economen is dat de Oostenrijkers stellen dat het veranderen van de geldhoeveelheid nu juist *geen* neutrale operatie is omdat de prijzen zich niet automatisch aanpassen aan de veranderde geldhoeveelheid. Het argument van de Oostenrijkers is, als ik het goed begrijp, dat de neo-klassieken hier hun methodologische assumpties met de realiteit verwarrren omdat de prijzen zich niet direct uniform aanpassen zoals dat in het model gebruikelijk is. Oostenrijkers benadrukken het dynamische karakter van het *marktproces*. Een mogelijk antwoord hierop zou kunnen zijn dat dit wellicht een aantal keren kan gebeuren maar dat op termijn alle deelnemers aan de economie hierop (indirect) anticiperen. Mijn belangrijkste bezwaren tegen het huidige systeem is dat overheden zich moeilijk laten beperken tot alleen een beleid van een stabiele valuta. Dit is mogelijk op te vangen door een "onafhankelijke" centrale bank maar ik heb hier net zo weinig vertrouwen als in de zogenaamde "scheiding der machten". Een beter tegenwicht zou zijn als de staat concurrentie van valuta zou toestaan (naar een idee van Hayek: bepaald geen radicale libertarier). Dit schaadt niemand en de theorie of het huidige monetaire beleid het beste is kan aan de tucht van de markt ondergeschikt worden gemaakt. Een andere probleem wat ik heb met centrale banken is de macro-economische ambities die men heeft om sociaal-economisch beleid te maken. De hoogte van rente (korte danwel lange termijn) zou het gevolg van vraag- en aanbod moeten zijn en niet van centrale besluitvorming. Je hoeft niet een aanhanger van de Oostenrijkse conjunctuurcycli te zijn om je bedenkingen te hebben omtrent de idee dat rente wordt gebruikt als sociaal-economisch sturingsbeleid. Volgens mij vinden de Chicago neo-klassieken, met name die zogenaamde "rational expectations" benadrukken, dit ook dus daar geen verschil. Onder een gouden standaard is een dergelijk manipuleren van de geldhoeveelheid en de rente niet denkbaar omdat dit alleen zou kunnen door nieuwe eigendomsbewijzen op goud bij te drukken hetgeen uiteraard fraude is. Maar nogmaals, de discussie dient niet te gaan tussen DE gouden standaard en fiat geld maar tussen het laatste en alle andere vormen van valuta (concurrende valuta, andere onderliggende waarden etc.) Als laatste, het is essentieel een onderscheid te maken tussen wenselijke en onwenselijke herverdeling. Herverdeling als gevolg van een verandering in vraag- en aanbod is geen probleem (voor libertariers). Als ik een winkel heb en jij opent een concurrerende winkel aan de overkant leidt dit wellicht ook tot een redistributie van inkomens maar dit is niet het gevolg van dwang of fraude. Wanneer de staat zich echter meester maakt van het middel geld (hetgeen niet zonder slag of stoot is vergaan), concurrentie verbiedt, en als gevolg hiervan welvaart van de burgers beinvloed, dat is een hele andere story. Laten we voor het gemak even stellen dat je gelijk hebt dat slechte deflatie onwenselijk is dan is nog zinvol om de nadelen van het huidige systeem te vergelijken met de nadelen van een gouden standaard of concurrerende valuta. Dat continue deflatie slecht is, is an sich geen argument voor het huidige systeem, evenmin als de mogelijkheid van marktfalen een argument is tot overheidsinterventie. 26-sep-2003 Erik Als blijkt dat het model van een onafhankelijke centrale bank met een strikt mandaat voor inflatiebeheersing in de praktijk goede resultaten oplevert, lijkt me dat toch geen onbelangrijk feit. De bezwaren zijn dan vooral theoretisch, en niet empirisch van aard. Alle economische problemen in Europa (lage groei, werkloosheid, weinig innovatie) hangen samen met problemen in de reele economie (hoge belastingen, teveel regulering); de ECB veroorzaakt deze problemen niet en kan deze ook niet oplossen. Het idee van concurrerende valuta bestaat op wereldschaal wel, zij het waarschijnlijk niet op de wijze die Van Hayek voor ogen had. In landen met een slecht monetair beleid (o.a. Argentinie) verliest de bevolking het vertrouwen in de nationale munt. Het resultaat is vaak een dollarisatie, of in sommige oostbloklanden een euroisatie. 26-sep-2003 Aschwin de Wolf "De bezwaren zijn dan vooral theoretisch, en niet empirisch van aard." Ja, allicht. Als de staat een monopolie op valuta heeft dan kunnen de bezwaren niet anders dan theoretisch van aard zijn. Dat is nu juist het probleem met een dergelijk monopolie. Het maakt empirische vergelijking onmogelijk. Hetzelfde verhaal geldt voor alle andere gebieden waar de staat weinig of geen concurrentie toestaat: politie, justitie, defensie, onderwijs (in sommige landen), de post (brieven, laag gewicht), gezondheidszorg, sociale zekerheid etc. Als de staat een taak volledig naar zich toetrekt dan genereert ze hiermee haar eigen legitimatie. Of zoals Anthony de Jasay stelt: "People who live in states have as a rule never experienced the state of nature and vice-versa, and have no practical possibility of moving from the one to the other ... On what grounds, then, do people form hypotheses about the relative merits of state and state of nature? ... My contention here is that preferences for political arrangements of society are to a large extent produced by these very arrangements, so that political institutions are either addictive like some drugs, or allergy-inducing like some others, or both, for they may be one thing for some people and the other for others." |
|