23-sep-2003

Kapitalisme en gelijkheid

Overal ter wereld zijn er grove onrechtvaardigheden wat inkomen en rijkdom betreft. De meesten van ons ergeren zich daaraan. Slechts weinigen worden niet getroffen door de tegenstelling tussen de weelde waarin sommigen baden en de verschrikkelijke armoede waarin anderen leven.

Gedurende de laatste eeuw is er een sprookje geboren dat het vrije-marktkapitalisme - de gelijkheid van kansen, zoals wij deze term geïnterpreteerd hebben - dergelijke onbillijkheden in de hand werkt; dat het een systeem is, waarin de rijken de armen uitbuiten.

Niets is minder waar. Overal waar het vrije marktsysteem werd toegelaten, overal waar iets dat op gelijkheid van kansen lijkt een bestaan heeft, is door de gewone man een levensstandaard bereikt, waar hij niet van had durven dromen. Nergens is de kloof tussen arm en rijk groter, nergens zijn de rijken rijker en de armen armer dan in die landen waar de vrije markt niet toegestaan wordt. Dit geldt voor de feodale samenleving zoals het middeleeuws Europa, het India van vóór de onafhankelijkheid en ook voor een groot gedeelte van Zuid-Amerika, waar afkomst ieders positie bepaalt. Het geldt evenzeer voor landen met een centraal door de overheid geleide economie, zoals Rusland, China of India sinds de onafhankelijkheid, waar iemands positie bepaald wordt door relaties met de overheid. Het geldt zelfs voor landen waar een centraal geleide economie werd ingevoerd in naam van gelijkheid, zoals in de drie hierboven genoemde voorbeelden.


Milton Friedman
Rusland is een land van twee naties: enerzijds een kleine, bevoorrechte hogere klasse van bureaucraten, kaderleden van de communistische partij en technici, anderzijds de grote massa die het nauwelijks beter heeft dan hun overgrootouders. De hogere klasse heeft toegang tot speciale winkels, scholen en alle soorten luxe; de massa is ertoe veroordeeld om van weinig meer dan het allernoodzakelijkste te leven. We vroegen eens een gids in Moskou naar de prijs van een grote auto die wij zagen en kregen te horen: 'Oh, die zijn niet te koop; die zijn alleen voor leden van het Politburo.' Diverse recente boeken van Amerikaanse journalisten geven gedetailleerde documentatie over het contrast tussen het bevoorrecht leven van de hogere klasse en de armoede van het volk. Zelfs op een lager niveau is het opmerkelijk dat het gemiddelde salaris van een voorman in een Russische fabriek vele malen hoger ligt dan dat van de gewone arbeider in dezelfde fabriek - dit in vergelijking met een Amerikaanse fabriek. De Russische voorman verdient dat ook ongetwijfeld. Tenslotte hoeft een Amerikaanse voorman zich alleen maar zorgen te maken dat hij niet ontslagen wordt; een Russische voorman moet ook nog uitkijken dat hij niet doodgeschoten wordt.

Ook China is een land met enorme inkomensverschillen - tussen de politieke machthebbers en de rest, tussen stad en platteland, tussen sommige arbeiders in de stad en andere arbeiders. Een opmerkzaam Chinees student schrijft dat 'de ongelijkheid tussen arme en rijke streken in China in 1957 groter was dan in ieder ander groot land ter wereld, behalve misschien Brazilië.' Hij citeert een andere geleerde die gezegd zou hebben: 'Deze voorbeelden suggereren dat het Chinees industrieel loonbeleid niet méér op gelijkheid gericht is, dan dat van andere landen.' En hij besluit zijn onderzoek als volgt: 'Hoe gelijkmatig zouden de inkomens in China op 't ogenblik verdeeld zijn? In ieder geval nog niet zo gelijkmatig als in Taiwan en Zuid-Korea... aan de andere kant is de inkomensverdeling in China gelijkmatiger dan die in Brazilië en enkele andere Zuid-Amerikaanse landen... wij moeten concluderen dat China nog lang geen samenleving is waar complete gelijkheid heerst. Trouwens, de verschillen in inkomen in China zijn veel groter dan die in een aantal landen die gewoonlijk met 'fascistische' elites en geëxploiteerde massa's worden geassocieerd.'

Industriële vooruitgang, mechanisering; al die wonderen van de moderne tijd hebben voor de rijken betrekkelijk weinig vooruitgang betekend. De rijken in het Oude Griekenland zouden weinig van moderne waterleidingssystemen hebben geprofiteerd: zij hadden hardlopende slaven in plaats van lopend water. Televisie en radio - de Romeinse patriciërs konden de meest vooraanstaande musici en acteurs bij hen thuis laten komen, de bekendste artiesten hun huiselijke feesten laten opluisteren. Confectiekleding, supermarkten - al deze en veel andere moderne ontwikkelingen zouden hun leven weinig veranderd hebben. Waarschijnlijk zouden zij de verbeteringen in vervoer en geneeskunde hebben toegejuicht, maar voor de rest komen alle verworvenheden van het Westers kapitalisme vooral de gewone man ten goede. De gemakken en voorzieningen die vroeger alleen aan de rijken waren voorbehouden, zijn nu voor bijna iedereen beschikbaar.


John Stuart Mill
In 1848 schreef John Stuart Mill: 'Het is tot nog toe zeer de vraag of alle uitvindingen op industrieel gebied de dagelijkse inspanning van de mens werkelijk verlicht hebben. Zij hebben het een grotere bevolkingsgroep mogelijk gemaakt om eenzelfde leven van geestdodend werk en slavernij te leiden, en een groter aantal fabrikanten en ondernemers om vermogens te verdienen. Zij hebben de middenklasse van meer gemakken voorzien. Maar zij hebben nog geen effect gehad op die grote veranderingen in het lot van de mens die in natuur en toekomst ligt om vervuld te worden.'

Niemand kan dat vandaag nog zeggen. Men kan zonder veel problemen van het ene eind van de geïndustrialiseerdé wereld naar het andere reizen. En de enige mensen die wij nog werkelijk slopende inspanningen zien leveren, doen dat voor de sport. Om mensen te vinden, wier dagelijkse inspanningen niet voor mechanisatie en toepassing van nieuwe uitvindingen verlicht zijn, moet u naar de niet-kapitalistische wereld gaan: naar Rusland, China, India of Bangladesh, delen van Joegoslavië; of naar de achtergebleven kapitalistische landen: naar Afrika, het Midden-Oosten, Zuid-Amerika en - tot voor kort - Spanje en Italië

Een samenleving die gelijkheid - in de betekenis van gelijkheid van resultaat - boven vrijheid stelt, zal tenslotte noch gelijkheid, noch vrijheid bereiken.
Conclusie
Een samenleving die gelijkheid - in de betekenis van gelijkheid van resultaat - boven vrijheid stelt, zal tenslotte noch gelijkheid, noch vrijheid bereiken. Het gebruik van dwang om te nivelleren, maakt een eind aan vrijheid. De dwang - oorspronkelijk met goede bedoelingen ingevoerd - zal op den duur sommigen in de gelegenheid stellen haar voor eigen baat uit te oefenen.

Aan de andere kant zal een samenleving, die vrijheid op het eerste plan zet, tenslotte zowel een grotere vrijheid als een grotere gelijkheid bereiken. Hoewel een bij-produkt van vrijheid, is een grotere mate van gelijkheid geen toeval. Een vrije samenleving laat de mensen vrij hun energie en mogelijkheden te gebruiken om eigen doeleinden na te streven. Zij voorkomt niet dat sommigen een bevoorrechte positie bereiken, maar zolang de vrijheid gehandhaafd blijft, voorkomt zij wel, dat deze bevoorrechte posities tot officiële instellingen worden verheven. Zij zullen aldus voortdurend door andere bekwame en ambitieuze mensen worden aangevallen.

Vrijheid betekent verscheidenheid, maar ook beweeglijkheid. Zij beschermt de mogelijkheid voor de benadeelden van vandaag om de bevoorrechten van morgen te worden en stelt intussen iedereen (van hoog tot laag) in de gelegenheid een zinvoller en rijker leven te leiden.

Dit artikel komt uit "Aan ons de keus" (Free to choose) van Milton & Rose Friedman. Hoewel het boek verscheen in 1980 en de beschreven situaties soms zijn gedateerd zijn de ideeën en argumenten van alle tijden.

Plaats reactie
- 7 reactie(s):

23-sep-2003    Schoofs Luc - lucschoofsGEEN@SPAMhotmail.com

Konden we dit soort "kennis" maar eens in de scholen krijgen. En ik bedoel dan de secundaire scholen, en het reëel benadrukken van de essentie van deze geschriften.Het moment is aangebroken voor de libertarische denktanks om hun zendelingen eens echt uit te sturen. Eerst de leerkrachten goed informeren en aandringen op het bevattelijk overbrengen naar de jonge studenten.
Luc


23-sep-2003    René

Een collega van mij is nar Bali geweest en vertelde me dat daar grote armoede is (krottenwijken). Ze kennen in Bali geen overheid die armoede probeert te bestrijden of probeert de volksgezondheid te verbeteren. Weet iemand hier iets van? De overheid doet er weinig. En als er zo weinig overheid is zou je verwachten dat het juist goed zou gaan.


23-sep-2003    niek - ravacholGEEN@SPAMhopje.xs4all.nl

Uitstekend artikel.

En wat betreft het overbrengen: dat is ook de verantwoordelijkheid van de lerarenopleidingen en de ouders.

Ik heb rond 1980 de ideeen van Friedman op een positieve manier uitgelegd gekregen op school.


23-sep-2003    Peter v M

René,
Of de gezondheidzorg nou wel of niet via de overheid geregeld wordt, de bevolking moet hoe dan ook welvarend genoeg zijn om de bekostiging ervan te kunnen betalen. In derde wereld landen is dat een probleem omdat de welvaartcreatie enorm tegengewerkt wordt door gedetailleerde overheidsbemoeienis met de economie.

Kenmerkend voor veel ontwikkelingslanden zijn bijvoorbeeld:
-staatsbedrijven (vaak met monopolieprivilege) in de industrie en handel
-restrictieve licenties voor de meeste economische activiteiten (incl. voor het recht een bedrijfje te hebben)
-overheidscontrole (o.a. middels licenties) over grensoverschrijdende transacties van goederen, valuta, mensen en kapitaal.
-etnische quota in werkgelegenheid en licentietoekenning
-loon- en prijsbepaling door de overheid
-subsidiëring van inefficiënte coöperaties
-gedwongen onteigening en collectivisering in landbouw.

Efficiente productiemethoden en particuliere investeringen worden hierdoor ontmoedigd, en er is veel corruptie om ofwel licenties van de overheid te bemachtigen of om onder restrictieve licenties uit te komen.

Een ander gevolg van de restrictieve regulering is dat de grijze sector in ontwikkelingslanden erg groot is:
60-90% van de beroepsbevolking is extralegaal ondernemer, en 60-80% heeft geen officieel erkende eigendomsrechten van zijn bezittingen. Meer dan 50% woont zelfs extralegaal, omdat ook de bestemmingsplannen en officiele woningbouw zeer restrictief zijn.

Omdat in de grijze sector de onzekerheid groot is (de overheid kan tegen je optreden, en je kunt ook geen aangifte doen van diefstal), de toegang tot hypothecair krediet ter financiering van huisvesting en bedrijvigheid beperkt is, en de handel zich noodzakerlijkerwijs beperkt tot lokale netwerkjes die je op basis van reputatie kunt vertrouwen, wordt de welvaartscreatie ook hier bemoeilijkt.


23-sep-2003    Chico Lama

het hangt natuurlijk ook af van het gemiddelde intelligentieniveau van een volk of ze wel of niet een mooie economie uit de grond kunnen stampen. daarom zeg ik al jaren; gooi Afrika open voor westerse ondernemers, daar profiteert uiteindelijk iedereen van daar


24-sep-2003    Albert Spits - apspitsGEEN@SPAMhewitt.com

René, op Bali is er veel armoede, maar dat is sinds 1997 nog erger geworden, sinds Indonesië economisch in elkaar gestort is. Daar hebben we het Soeharto-regime voor te bedanken, die voor de hele staat het nepotisme en corruptie tot volle glorie heeft gebracht. Op Bali heerst een bezetter, de Javaan. Alle beslissingen omtrent de eilanden worden in Jakarta genomen. In feite is het een centraal geleide staat, welke altijd problemen oplevert voor de regio. Als de Balinezen vrij en onafhankelijk zijn om hun eigen lot te bepalen, zijn ze ook vrij om het kapitalisme en de internationale investeringen te doen plaatsvinden. Zolang de centrale regering onder Soekarnoputru het lot bepaalt van de rest van Indonesië verwacht ik ook geen einde aan de armoede in die veel-geplaagde archipel. Dus wat die collega heeft beweerd is ten dele waar, want de overheid bestrijd niet de armoede, maar bestrijdt de soevereiniteit en onafhankelijkheid van Bali. Balinezen zijn niet vrij zolang ze worden onderdrukt door de Javanen.


22-feb-2008    Quirium

Wat sneu dat er bij de nieuwe artikels niet meer gereageerd kan worden.


 
 
Printversie Email dit artikel




MeerVrijheid 2001 - 2007