4-okt-2002De rechten van het dier
Libertariers laten zich erop voor staan dat ze het non-agressie principe consequent toepassen. En dat doen ze ook wel goed. Voor mensen dan. Hoe het met dieren moet is minder eenvoudig. In de Telegraaf staat een artikel over de rechtsfilosoof Paul Cliteur (VVD) die gisteren in het kader van Werelddierendag de Universele Rechten van het Productiedier voorlas ten overstaan van enkele tientallen geïnteresseerd luisterende mestvarkens. Blijkbaar hebben dieren recht op onderwijs. Over leerstof gesproken: wist u trouwens dat in Nederland per jaar 700 miljoen beesten worden gedood? Dat beweert namelijk Dirk Boon, hoogleraar Dier en Recht aan de Universiteit van Utrecht. Recht op vrije meningsuiting zullen de meeste mensen dieren wel gunnen, maar recht op leven blijkt moeilijker.
04-okt-2002 Aschwin de Wolf Als vegetarier EN libertarier heb ik veel sympathie voor de opvattingen van Cliteur. Ik heb wel een beetje moeite met al die 'rechten' retoriek. De opvatting dat dieren rechten hebben wordt doorgaans afgeleid uit de assumptie dat mensen die hebben. Maar tot op heden is bij autopsie van zowel mens als dier nooit zoiets gevonden als 'rechten'. Volgens sommige libertariers hebben dieren geen rechten omdat ze niet over rationele vermogens beschikken. Waarom je opeens rechten hebt als je over zekere redelijke vermogens beschikt is mij echter niet echt duidelijk. Betekent dit dan ook als bv. buitenaardse wezens evolutionair nog hoger staan dan ons dat zij weer ons tot slaaf en voedsel mogen maken omdat wij weer eigenschap Y missen. Een algeheel respect voor leven misstaat echter niemand en libertariers in het bijzonder. 04-okt-2002 Konrad Swart - dimens4GEEN@SPAMxs4all.nl Hoi, Hier heb ik eens met iemand over gewisselwerkt. Groetjes, Konrad. De Gelderlander, 29 mei 2002 Mens en dier door Jan Paalman Als Barend en van Dorp het electronische café van Nederland is, dan is Rondom 10 het electronische Circus Maximus. De formule van het programma is simpel. Men neme een heet hangijzer en laat dan de felste opiniebeesten van het land los om hun meningsverschil in de TV-arena uit te vechten. Vorige week pakte presentator Cees Grimbergen een wel zeer heet hangijzer bij de kop. "Mag je voor het goede doel gebouwen in de fik steken?", vroeg hij aan ene Mark Zonder Achternaam. Kort daarvoor hadden een kippenfokker, een pelsdierhouder en een van woede uit zijn vel springende Wien van den Brink hun hart gelucht over acties tegen familieleden (ook kinderen), telefoonterreur, bedreigingen en brandstichting. Mag dat? Ja, zei de voorzitter van het Dieren Bevrijdings Front, dat mag. Kortom: mag je de bezittingen van anderen verwoesten, zonder hun expliciete toestemming? “Ja, dat mag!” Mag je de rechten van mensen schenden? “Ja, dat mag!” Hoe ver gaat dat? Mag je mensen, met wie je het niet eens bent overhoop schieten? De moord op Fortuyn beantwoord deze vraag. Kennelijk is het antwoord: “Ja, dat mag!” Als je dat mag, dan mag je ook het huis van de voorzitter van het Dieren Bevrijdings Front in de fik steken, hem met telefoonterreur lastig vallen, en zijn kinderen en familie bedreigen. Als het één kant op mag, dan mag het óók de andere kant op. Want waarom zou de éne groep rechten hebben, en de ándere groep niet? Rechten staan los van opvattingen. Of iedereen heeft rechten, of niemand heeft rechten. Waar deze mensen niet bij stilstaan, is dat als je als groep naar geweld grijpt, er twee dingen aan de hand zijn. 1: Je hebt kennelijk niet de argumenten in huis om anderen te overtuigen. 2: Je vormt, in de samenleving, een haard van geweld, wat de héle samenleving zoveel meer gewelddadiger maakt. Er zit niet anders op, want ondanks jarenlange protesten gaat de moord op dieren gewoon door. Het doden van dieren is geen moord Libertarische verduidelijking: Als iemand op mij schiet, en ik schiet terug en doodt die ander, is dat dan moord? Zo niet, dan is ‘doden’ niet gelijk aan ‘moord’. Wat is dan precies het verschil? Het verschil zit hem in het begrip ‘recht’. Ik ben de eigenaar van mijn lichaam. Ik ben de énige, die recht heeft op mijn lichaam. Als iemand mij doodt, dan schend hij daarmee mijn eigendomsrecht. Met andere woorden: het begrip ‘moord’ is ten nauwste gekoppeld aan het begrip ‘eigendom’. ‘Moord’ kun je definiëren als: ‘het vernietigen van een stuk van jouw eigendom dat cruciaal is voor het handhaven van jouzelf in het bestaan, zonder jouw uitdrukkelijke en expliciete toestemming’. Dat betekent, dat alléén wezens, die intelligent genoeg zijn om het begrip ‘eigendom’ te vatten, in staat zijn om vermoord te worden. Daarom kan er geen sprake zijn van het vermoorden van dieren, want dieren zijn niet in staat om het begrip ‘eigendom’ te vatten. Ze kunnen hun eigen lichaam dus niet zien als hun eigen eigendom. Dat kan alléén op wezens, die ontwikkeld genoeg zijn om het begrip ‘eigendom’ te vatten, en dan vervolgens toe te passen op henzelf. Dus wij kunnen dieren wel doden, maar wij kunnen dieren niet vermoorden. Eigendom Wanneer kun je iets je eigendom noemen? Er zijn twee manieren. Je claimt een eigendomsrecht op iets, dat tot dan toe door nog niemand opgeëist is, en bovendien door niemand in gebruik is genomen. Als je het dan vervolgens gaat gebruiken, dan wordt door het gebruik het eigendomsrecht bezegeld. Dat laatste is belangrijk, want anders zou iemand bijvoorbeeld naar Mars kunnen gaan, daar landen, en een eigendomsrecht op de hele planeet opeisen op basis van het feit, dat het door niemand anders eerder gedaan is. Of anders zou Columbus naar Amerika kunnen gaan, en vervolgens héél Amerika voor zichzelf opeisen, alleen maar op basis van het feit, dat hij de eerste is die daar aan land gaat. Dit geldt óók voor het eigen lichaam. Op een bepaald moment eis je je eigen lichaam op als je eigendom. Het is duidelijk, dat je daarmee het gebruik van je héle lichaam meteen opeist, en dat er daarom aan beide criteria van het vaststellen van een eigendomsrecht is voldaan. Overigens is dit, en dit alleen het criterium waarmee je kunt bepalen of iemand volwassen is. Een kind vat het begrip ‘eigendom’ pas, als het daarmee begrijpt wat het inhoudt ‘om voor jezelf te zorgen’. Als het dit begrip omzet in de daad, dus besluit op eigen benen te gaan staan, dan is hij, ongeacht de leeftijd waarop dit gebeurt, een autonoom rechtssubject, en moet vanaf dat moment opgevat worden als een volwassene. Dat is een veel rationeler criterium voor volwassenheid dan ‘als je een bepaalde leeftijd hebt’, wat in ons land kennelijk wet is. Er lopen door deze wet heel wat kinderen rond, die eigenlijk volwassen zijn. En, omgekeerd, er lopen ook héél wat oude kinderen rond. Zie bijvoorbeeld die mensen van het Dieren Bevrijdings Front, die duidelijk het begrip ‘eigendom’ nog niet vatten. Er zijn meer radicale conclusies uit dit inzicht in recht te trekken. Een kind, dat het begrip ‘recht’ nog niet vat, is in feite eigendom van de ouders. Dit eigendoms-recht is echter niet absoluut, maar is van hetzelfde type als wanneer je iets beheert, dus in gebruik neemt onder bepaalde voorwaarden. Kinderen moeten dus opgevat worden als ‘behuizingen’ waarvan de daadwerkelijke eigenaar ‘nog niet thuis’ is. Dus als de ouders het kind vóór die tijd schade berokkenen, en het kind wordt zich als volwassene hiervan bewust, dan is er met terugwerkende kracht ‘recht’ te halen. Deze mogelijkheid zet een rem op de ouders om zondermeer met kinderen te kunnen doen wat ze willen. Als een ouder bijvoorbeeld, uit een oprechte wens om zijn kinderen een voorsprong te geven, ingrijpt in het genetische materiaal om bijvoorbeeld een intelligenter kind te willen, dan kan dit verkeerd uitpakken. Dat kan er dan toe leiden dat dat kind als volwassene hen later met een schadevergoeding opzadelt. Dat maakt, dat ouders voorzichtig zullen zijn in hun opvoeding. Overigens betekent dit ook, dat als ouders hun kinderen van het leven beroven, dit wel als moord opgevat dient te worden. Weliswaar hebben kinderen met dieren gemeen, dat ze het begrip ‘eigendom’ niet vatten, maar een gezond kind zal onder normale omstandigheden naar alle verwachting wél uitgroeien tot een volwassene, die dit begrip wel vat. Als ouders hun kind dus van het leven beroven, dan is het die toekomstige volwassene, die ze daarmee in feite vermoorden. Dus het doden van kinderen moet weldegelijk tot moord gerekend worden. Wat je doodt is dan een potentieel mens. Dat werkt echter óók de andere kant op. Als een kind duidelijk niet gezond genoeg is, dat het er niet naar uitziet dat hij op een bepaalde leeftijd in staat is om het begrip ‘recht’ te vatten, en dus op basis daarvan het besluit te nemen om voor zichzelf te zorgen, en dus zichzelf=zijn eigen lichaam als zijn exclusieve bezit op te eisen, is een dergelijk kind niet op te vatten als een potentieel mens. In dat geval hebben de ouders volledige bezitsrecht op het kind. Een dergelijk kind is dan in feite niet op te vatten als een mens. Dit strekt zelfs zo ver, dat ze het recht hebben om dat kind te doden. Want de status van deze mens is niet groter dan dat van het dier. Klinkt behoorlijk rechts, nietwaar? Want op basis hiervan kunnen ouders besluiten om hun eigen, zwaar achterlijke kinderen te doden, en dat ook nog rechtens kunnen doen. Dat dit mag wordt als een extreem rechtse opvatting gezien. De vraag is dan: waar ligt precies de grens? Deze is heel simpel te trekken. Als een kind bij machte is om de spraak te leren, dan is het op een bepaald moment in staat om woorden en zinnen in hun samenhang te begrijpen. En dan geeft het er blijk van om symbolische betekenissen te vatten. Dat betekent, dat er dan altijd een kans is, dat het het begrip ‘recht’ zou kunnen vatten. En dus is het vermogen tot taal precies de grens. Is een kind zó zwaar achterlijk, dat het nooit zal leren spreken, dan zal het nooit een mens kunnen worden. Abortus Een ander interessant Libertarisch punt is de relatie tussen recht en abortus. In het Libertarisme zijn vragen als: ‘wanneer is een vrucht op te vatten als een mens’ enzovoort, irrelevant. Er wordt zondermeer gesteld, dat zodrá de eicel bevrucht is, dan is er sprake van een potentiële mens. Dus zelfs al in het ééncelligen-stadium! Je zou verwachten, dat hieruit volgt dat abortus altijd verboden zou zijn, maar dat is niet zo. Integendeel! Abortus is, onder het Libertarisme, altijd toegestaan, ongeacht het ontwikkelings-stadium van de ongeboren vrucht. Waarom? Eerst een simpel punt. Als je volledig eigenaar bent van iets, dan mag jij, en jij alleen bepalen wat met dat iets gebeurt. Iemand anders mag niets, maar dan ook niets met jouw eigendom doen, tenzij jij daar expliciet en uitdrukkelijk toestemming voor geeft. Als iemand anders iets doet met jouw eigendommen zonder deze toestemming, dan is er sprake van schending van het recht. Deze schending van het recht is nooit toegestaan, en mag zeker nooit gerechtvaardigd worden door goede bedoelingen, of zelfs niet door onwetendheid. Want anders zou het argument van de Nazi’s “Ich habe es nicht gewusst” (ik heb het niet geweten) rechtsgeldigheid hebben, en kan elke monsterlijke daad achteraf goedgepraat worden. Onwetendheid, zelfs als dat komt door een onvermogen om te kunnen weten is nooit een argument dat je kunt gebruiken om rechten te claimen, of rechtsschendingen achteraf goed te praten. (Men heeft betoogt, dat veel Nazi-leiders een psychisch defect hadden. Ze hadden namelijk niet het vermogen tot empathie = het vermogen om je in een ander te verplaatsen. Ik geloof hier niets van. Nazi-Duitsland was het gevolg van het feit, dat men het onderscheid niet zag tussen Recht en Wet. Voorafgaand aan Nazi-Duitsland waren rechtstheoretici in Duitsland druk bezig geweest om het onderscheid tussen Recht en Wet duidelijk te krijgen. Omdat ze het Fundamenteel Rechtsprincipe niet kenden waren ze tot de conclusie gekomen, dat er geen onderscheid tussen Recht en Wet bestond. Dat betekent, dat zodrá er een wet uitgevaardigd werd, deze wet niet alleen rechtsgeldig, maar ook per definitie rechtvaardig moet zijn. Dat maakt, dat het argument waarmee veel Nazi’s zich verdedigden, het ‘Befehl ist Befehl” (bevel is bevel) in hun ogen een echte rechtvaardiging was, en dat ze écht niet snapten waarom dat door de veroveraars niet geaccepteerd werd. Sterker nog, omdat er in hun ogen geen onderscheid tussen Recht en Wet bestond, waren ze in Neurenberg niet in staat om te begrijpen waarom ze veroordeeld werden, en schuldig verklaard werden. De veroordeling van de Nazi’s was dus een keerpunt in de geschiedenis, want weliswaar was nog niet duidelijk wat precies het verschil tussen Wet en Recht was, en is dat bij velen nog steeds niet duidelijk, maar met hun veroordeling werd historisch uitgesproken, dat er zo’n verschil is. Nb. Ikzelf gebruik heel vaak Nazi-voorbeelden om Libertarische punten duidelijk te maken, juist omdat in Nazi-Duitsland de consequenties van het niet bestaan van zo’n verschil zo enorm duidelijk zijn geworden.) Abortus mag altijd… En dat impliceert meteen een oplossing voor het abortus-vraagstuk. Een volwassen moeder, en alleen zij is eigenaar van haar lichaam. Niemand anders mag met haar lichaam, of zelfs met een onderdeel van haar lichaam iets doen, zonder haar uitdrukkelijke en expliciete toestemming. Dat betekent dat als zij zwanger is, en het kind niet wenst, dan is er ‘iemand’, namelijk het kind in haar, dat gebruik maakt van haar lichaam zonder haar expliciete en uitdrukkelijke toestemming. Dat betekent, dat het kind, simpelweg door er te zijn, het eigendom van de moeder op haar eigen lichaam, dus haar recht schendt. Weliswaar heeft het kind hiervan geen weet, en is zelfs niet in staat om dat te weten, maar, zoals hierboven betoogt, is dat geen argument. Dat betekent, dat het kind in feite de status heeft van een geweldpleger. Weliswaar onbewust van het feit dat het dat is, maar, zoals gezegd, dat is geen argument. De moeder mag zich tegen dit gebruik van haar lichaam, dat plaatsvindt zonder haar expliciete en uitdrukkelijke toestemming, dus verdedigen. Zij heeft daarmee het recht om het kind te verwijderen. En dat is wat men beschouwd als een linkse opvatting. …maar niet op elke manier Deze verwijdering mag echter niet met elke methode. Het kind moet zo ongeschonden mogelijk verwijderd worden. Wordt het éérst ‘gekraakt’, zoals met sommige tegenwoordige abortus-methodes, dan wordt er in feite geweld gepleegd op het ongeboren kind. Dat abortus zo gebeurt, is trouwens de reden waarom vragen als: ‘wanneer is het kind levensvatbaar’ als relevant gezien worden. Als de abortus voorzichtig gebeurt, dan kan het levensvatbaar zijn of niet. Maar door de abortus voorzichtig uit te voeren, is er geen beoordeling nodig door de medische wetenschap, of door wie dan ook, om dat punt vast te stellen. Want als het kind altijd voorzichtig uit het lichaam van de moeder gehaald wordt, wordt er niemand ‘vermoord’. Is het te kort in de baarmoeder geweest om in leven te blijven, dan heeft het pech gehad. Het doden is echter niet door de abortuspleger gebeurd, maar is het gevolg van natuurlijke oorzaken. Op deze manier is abortus dus géén moord, ook niet met terugwerkende kracht. Want weliswaar is ‘een middel dat essentieel is voor het zichzelf handhaven in de werkelijkheid’ verwijderd van het kind, maar dat middel is niet het eigendom van het ongeboren kind, maar is eigendom van de moeder. Het kan zo zijn, dat de moeder bijvoorbeeld 7 maanden zwanger is, en dan plotseling besluit om van het kind af te willen. Vanaf dat moment is het kind dus geweldpleger, terwijl het daarvoor nog gewenst was. De abortus mag nu nog steeds plaatsvinden. Als het kind wordt verwijderd, en het blijkt in staat om buiten het lichaam te leven, dan is het levensvatbaar. Maar omdat de moeder het kind niet wenst, is het kind aan zijn/haar lot overgelaten. Dat betekent, dat het de status van ‘niet opgeëist eigendom’ heeft. Preciezer, het recht om het kind op te voeden is een stuk door niemand opgeëist eigendom. De éérste die het kind nu opeist als zijnde van hem/haar, is dan, door deze eis, de nieuwe eigenaar. De oorspronkelijke moeder mag vanaf dat moment geen ‘verhaal’ halen, en alsnog haar mening herzien. Als het kind gezond is, is dit eigendom wederom van het ‘beheerders-soort’, dus voor de nieuwe ouder gelden dezelfde beperkingen als voor de échte ouders die het kind wensen. Kinderhandel Nog iets anders is kinderhandel. Er zijn veel kinderloze echtparen, die graag een kind zouden adopteren. Een vrouw zou, in plaats van abortus, op het idee kunnen komen, om het kind ter wereld te brengen om het te kunnen verkopen. Zodrá het kind geboren is, is zij, zolang zij hiervan nog geen afstand heeft gedaan, de eigenaar van het recht tot opvoeding. Zij mag het recht om het kind op te voeden dan verkopen. Wat dan verkocht wordt is, wederom, een onvolledige vorm van eigenaarschap. Deze regeling is in het voordeel van iedereen. De moeder komt van het kind af wat ze niet wenst. Ze heeft bovendien, voor de inspanning om het kind toch ter wereld te brengen, een financiële compensatie ontvangen. De nieuwe ouders komen aan een kind, waar ze normaal niet aan zouden komen. En het kind komt van een ouder die hem/haar niet wil af, en in handen van ouders, die hem/haar wel wensen. Draagmoederschap Dit zou zelfs zó lucratief kunnen zijn voor de moeder die het kind baart, dat ze hiervan haar beroep besluit te maken. Dat is allemaal toegestaan onder het Libertarische recht. Maar onder de huidige wetgevers zullen ze vast ‘moord en brand’ gillen (zonder de term ‘moord’ overigens te begrijpen) als ze van dit soort van oplossingen horen. Maar bovenstaande vorm van rechtsschending, van het Dieren Bevrijdings Front, daar maken ze zich niet druk om! Hoezo, beschaafd? De tweede manier waarop je aan eigendom kunt komen, is via geld dat van jou is. Dat wat je met dat geld koopt, is dan van jou. Het geld moet dan wel van jou zijn, want anders pleeg je diefstal. Hoe weet je of het geld van jou is? In principe op twee manieren. Je werkt voor dat geld. Dus je levert een goed en/of dienst in ruil voor geld. De tweede manier is dat iemand anders jou dat geld geeft, dus zijn eigendomsclaim op dat geld opgeeft ten voordele van jou. En dan wel uitdrukkelijk en expliciet. Nee, hij had zelf niets met die acties te maken, maar hij keurde ze ook niet af. Het is de klassieke strategie van de terroristische organisatie: bovengronds legaal en ondergronds gewelddadig. Door de moord op Fortuyn zijn de hele milieubeweging en alle dierenbeschermers eindelijk in een kwaad daglicht komen te staan. Onterecht. Oh ja? Die hebben op hele kleine groepjes na niets met geweld te maken. En dat de kogel van links is gekomen is al evenzeer onzin. In Libertarische kringen is allang bekend, dat falend Links zich nu heeft teruggetrokken in het laatste bastion wat ze nog denken te kunnen verdedigen, namelijk de milieugroeperingen. Alleen een volledig begrijpen van het Libertarische Rechtsbeginsel zal hen ook dááruit uiteindelijk verdrijven. En dan kunnen ze nergens meer heen. Want het gewelddadig beschermen van dieren is ook erg populair bij extreem rechts. In het gewelddadige Engelse Animal Liberation Front (het grote voorbeeld van het Nederlandse Dieren Bevrijdings Front) hebben extreem-rechtse activisten een belangrijke vinger in de pap. Dat is niet zo vreemd als het lijkt. Hitler hield ook erg veel van de natuur. Hitler was óók links. Wat men maar steeds vergeet, is dat Nazi hetzelfde is als Nationaal Socialisme. Kortom, het is een fusie van Nationalisme, wat zowél links (kijk maar naar Cuba) als rechts kan zijn, en Socialisme, wat links is. Je zou het ook anders kunnen zeggen. Zowel extreem links als extreem rechts zitten ernaast. Alleen het Libertarisme verdedigt het recht op alle fronten, met als gevolg dat sommige kenmerken als links aangemerkt worden (vóór abortus) en andere als rechts (vóór het doden van zwaar debielen, vóór de vrije economie en vóór het Kapitalisme.) In 1975 schreef de Australische filosoof Peter Singer een boek dat al gauw de bijbel werd van vele dierenbeschermers. In Animal Rights zegt hij dat de mens onderdeel is van het dierenrijk. Daar gáán we weer! Dat is niet nieuw, Darwin zei dat al honderdvijftig jaar eerder. Klopt niet. Darwin zei dat de mens was voortgekomen uit het dierenrijk. En dat is een enorm verschil. Het leven is voortgekomen uit chemie. Maar het is overduidelijk, dat het leven niet hetzelfde is als chemie. Nieuw zijn de conclusies die hij daar uit trekt. De mens staat niet boven het dier, zegt hij. Integendeel. Mens en dier zijn gelijk in hun vermogen om genot en pijn te voelen. Een dier pijn doen is dus net zo erg als een mens pijn doen. En als je daar anders over denkt maak je je schuldig aan discriminatie, aan 'soortisme', het waanidee dat de ene soort boven de andere staat. De mens is een nieuwe bestaansvorm De mens is alleen geen diersoort. Het is een volledig nieuwe levensvorm, zoals de Dinosauriërs een levensvorm waren, en de zoogdieren. Het verschil is zelfs nog radicaler, want alle levensvormen die géén mens zijn, worden door het DNA uitgerust met een primair overlevingsmechanisme. Ze bouwen voor hun overleving op de informatie die zich op het DNA bevindt. De mens moet daarom zelfs niet aangemerkt worden als een nieuwe levensvorm, maar het verschil is nog fundamenteler. De mens is een nieuwe bestaansvorm! Om dat duidelijk te maken: de éérste bestaansvorm is ruimte en tijd. De tweede bestaansvorm is dode materie. De derde bestaansvorm is levende materie. Eens was er, althans zo blijkt uit de natuurkunde, alléén ruimte en tijd. Toen er alleen ruimte en tijd was (het was één ding, de tijdruimte) ging de expansie van het heelal ontzettend hard. De grootte van de wereld nam exponentieel toe in omvang. Dit kwam abrupt tot stilstand, toen opeens materie en energie ontstond. Want daardoor ontstond er gravitationele aantrekkingskracht, die de groei van de wereld meteen verminderde. De wereld wordt ‘slechts’ met het tempo van de lichtsnelheid groter. Dat het inderdaad de materie is, die de groei van de wereld reduceert, blijkt uit moderne onderzoekingen. Want hoe groter het heelal, hoe groter de afstand tussen de materie die zich in het heelal bevindt, en hoe kleiner de remmende invloed van deze materie op de expansie van het heelal. Dat leidt ertoe, dat naarmate het heelal langer bestaat, het steeds sneller gaat expanderen. En dat is inderdaad uit waarnemingen komen vast te staan. Uit de dode materie ontstond de levende materie. Toen leven ontstond, ontstond een derde bestaansvorm. Wat ik nu beweer, is dat de mens zo radicaal verschilt van dieren en planten, dat je het een vierde bestaansvorm kunt noemen. Een bestaansvorm, die weliswaar gebouwd is op de levens-bestaansvorm, maar die desondanks toch anders is. Hoe kom ik aan deze conclusie? Bij de mens is het DNA een molecule, waarop zich instructies bevinden, waarmee, zoals bij de andere dieren, zijn hele lichaam gebouwd wordt. Maar met het bouwen bouwt het óók het menselijk brein. Dit is in feite een ander type informatiedrager, die niet alleen informatiedrager is, maar ook informatieverwerker. Bij de mens komt de informatie, nodig voor de overleving, pertinent niet uit het DNA-molecule. Wat het DNA-molecule wel doet, is dus deze informatiedrager van hogere orde construeren. Deze informatiedrager moet vervolgens op zoek gaan naar twee soorten van informatie. Ten eerste kennis en ten tweede kunde. Te vergelijken met een computer, die niet alleen data op de harde schijf heeft, maar ook programma’s. Dat maakt, dat de mens wordt uitgerust met een vermogen om een vermogen ter overleving aan te brengen. Maar dat betekent, dat het bestaan zelf, met de mens, op een hoger plan is gekomen. Er is nu een nieuw soort overleving in het bestaan gekomen. Een overleving, gebaseerd op een nieuw soort informatiedrager. Sterker nog, een overleving, die gebaseerd is op een andersoortig omgaan met informatie. Informatie wordt namelijk ook verwerkt en bewerkt. In feite maakt dit dat er een even groot verschil is tussen de mens en de andere levensvormen, als dat er een verschil is tussen levende materie en dode materie, en tussen dode materie en lege tijdruimte. Want leven is mogelijk dankzij het nieuwe fenomeen ‘informatiedrager’. Toen de éérste DNA-moleculen ontstonden, kwam de verdere differentiatie in het bestaan niet langer tot stand onder invloed van natuurwetten alléén. Het DNA-molecule vormde een nieuwe scheppende kracht. Evenzo vormt het menselijke denkvermogen een nieuwe scheppende kracht, even radicaal afwijkend van het leven, als het leven doet van de dode materie. Konrad, ook zo wetenschappelijk ingesteld als die Korthals (daardoor geen dierenvriend; dat sluit volgens hem (hen?) elkaar uit) denkt dat de mens zonder instinct geboren wordt als een tabula rasa, maar volledig programmeerbaar. En dat is weer uniek voor een dier, dat maakt hem superieur, een vrijbrief voor alle handelingen tegen het dier die maar in de mens opkomen. De logica achter die laatste stap zie ik nog steeds niet in. Veel milieu-aktivisten zien intuïtief het radicale verschil tussen mens en dier, maar verbinden hier totaal verkeerde conclusies aan. Volgens hen maakt juist het feit, dat de mens een vierde bestaansvorm is de mens tot een vergissing van de natuur. Een soort van parasiet. Ze zitten er uiteraard naast. Toch roept dit de vraag op: waar precies moeten wij de mens in het bestaan plaatsen? Om dat te zien moeten wij naar de volgende twee principes kijken. Substantie Het bestaan bestaat uitsluitend uit een totaal van interacties. Er bestaat dus niet zoiets als een ‘substantie’ die eigenschappen heeft, maar ‘substantie’ is eigenschap. Haal alle eigenschappen van iets weg, en je houdt niet ‘iets’ over dat geen eigenschappen meer heeft, maar je houdt simpelweg niets meer over. De dingen om ons heen hebben dus geen eigenschappen, maar zijn het totaal van hun eigenschappen. Het was Aristoteles, die met de theorie aan kwam dragen, dat de ‘dingen’ om ons heen bestaan uit een substantie die eigenschappen hebben. Hij kwam tot deze visie als reaktie op Plato, die beweerde dat alles ‘idee’ is. Aristoteles vond dat absurd, want dat zou betekenen, dat je iets reëel kunt maken, door simpelweg héél sterk aan dat iets te denken. De verwarring was echter tussen ‘ding’ en ‘begrip van dat ding’. Kortom, tussen binnenwereld en buitenwereld. Er is een verschil tussen het bestaan van iets, en het bewust zijn van het bestaan van dat iets. Als wij ons bewust zijn van het bestaan van iets, dan is er sprake van een soort van ‘begrip’. Plato verwarde het ‘begrip’ met het ‘ding’. Aristoteles zag dat in, en probeerde dat recht te zetten, door te stellen dat de ‘dingen’ bestaan ongeacht of wij ze begrijpen of niet. Om dat een theoretische onderbouwing te geven, stelde hij dat, wil ‘iets’ kunnen bestaan, er niet alleen ‘begrip’ van dat iets moet zijn, dus de ‘eigenschappen’ maar er moet ook een ‘materiële drager’ van die eigenschappen zijn, die hij ‘substantie’ noemde. Iets bestaat dus pas, volgens Aristoteles, als er een substantie is, die de eigenschappen die wij waarnemen heeft. Deze ‘substantie’, die later door Kant ‘Ding an Sich’ genoemd werd, zou dan bestaan los van de eigenschappen. Eigenschappen zijn dan de gedachten die wij over een specifiek stuk substantie hebben. Ik ben het met Aristoteles eens, dat er méér nodig is voor het bestaan van iets dan ons denken alléén. Maar ik ben het niet eens met Aristoteles, als hij beweert, dat het ‘substantiebegrip’ zoals hij dat zag, als een soort van ‘schildersdoek’ waarop de eigenschappen ‘geschilderd’ worden hiervoor noodzakelijk is. Een substantie-eigenschap als massa bijvoorbeeld bestaat bij de gratie van alle andere materie. Als er meer materie in het heelal ‘is’, dan wordt een ‘ding’ zwaarder. (Volgt uit de Algemene Relativiteitstheorie van Einstein) Maar als dat zo is, dan is ‘substantie’ een begrip dat afhangt van de connectie dat het heeft met de rest van de wereld. En dat houdt weer in, dat er louter en alleen eigenschap is. Eigenschap, die al of niet gekend kan worden, maar die eigenschappen bepalen volledig het zijn van de ‘dingen’. Alle bestaan is interactie. Het begrip ‘zijn’ en het begrip ‘interactie’ zijn volkomen gelijk. Er bestaat geen ‘zijn’ los van ‘interactie’. Anders gezegd: haal alle eigenschappen van ‘iets’ weg, en het ‘iets’ is ‘niets’ geworden. Dat betekent, dat we door ons te concentreren op louter en alleen ‘eigenschap = interactie’, we het bestaan kunnen doorgronden. Twee fundamentele principes En dat brengt mij op een tweede principe. Het bestaan beweegt van eenvoudig naar complex. Laat ik dit wat meer uitleggen. Stel er is helemaal niets. Dan valt er niets te onderscheiden. Dat betekent dat er geen structuur is. Dus ook geen interactie. Niets is, wiskundig gesproken, gelijk aan totale symmetrie, en dat is hetzelfde als afwezigheid van structuur. Hoe is dit plausibel te maken? Stel je je maar een perfecte cirkel voor. Roteer deze rond zijn as. Je kunt dan niet zien of deze cirkel inderdaad geroteerd is, juist omdat hij perfect rond is. Men zegt nu in de wiskunde, dat de rotatie een symmetrie is van de cirkel. In het algemeen, een symmetrie van iets is een transformatie, losgelaten op dat iets, en wel zó dat je niet kunt zien dat de transformatie op het voorwerp is toegepast. Gezien vanuit het resultaat lijkt het net, alsof er helemaal niets gebeurd is. Zo gezien heeft de cirkel een dubbele verzameling van oneindig veel symmetrieën, want als je een cirkel onder een willekeurige hoek roteert, zie je niet of deze rotatie heeft plaatsgevonden. Of als je een cirkel spiegelt rond een willekeurige as door het centrum, kun je ook niet zien of deze transformatie heeft plaatsgevonden. Er bestaan dus twee soorten van transformaties die de cirkel niet veranderen. Rotatie rond zijn as om een willekeurige hoek, en spiegeling door een as door het centrum. Daar er oneindig veel hoeken zijn waarin je een cirkel kunt draaien, en er oneindig veel assen door het centrum zijn, is de cirkel oneindig symmetrisch. Wat men nu zegt in de wiskunde, is dat deze transformaties symmetrieën zijn van de cirkel, en omgekeerd, de cirkel een invariant is onder deze symmetrie-transformaties. Dit is ook omgekeerd zo. Wiskundig gesproken, als je naar een tweetal verzamelingen van symmetrieën kijkt, namelijk ‘rotatie om een vast punt’, en ‘spiegeling door een as in een vlak, dat door dat vaste punt gaat’, en je vraagt je af welke klasse van ‘dingen’ hierdoor niet veranderen, dan kom je uitsluitend uit op de verzameling van alle cirkels die dat vaste punt als centrum hebben. Zo gezien definiëren verzamelingen van symmetrieën dus ‘klasse van dingen’. Je kunt de verzameling van alle cirkels door één punt dus definiëren als die meetkundige objecten, die door deze twee verzamelingen van transformaties niet veranderen. En je kunt de verzameling van alle cirkels dus definiëren door steeds bij elk punt een tweetal van dergelijke verzamelingen van transformaties te denken. Een vierkant kent 8 symmetrieën. Niets doen, roteren over 90 graden, roteren over 180 graden, roteren over 270 graden, spiegelen door een as die door het centrum en het midden van twee zijden gaat, (daar zijn er twee van) en spiegelen door een as door het centrum en twee tegenoverliggende hoekpunten (daar zijn er óók twee van). Dat betekent, dat het vierkant minder symmetrisch is, of, anders gezegd, meer structuur heeft. En daarom meer eigenschappen heeft, en daarom vormt iets, wat vierkant is, meer ‘zijn’ dan iets wat rond is. Want alles bestaat uit interactie. Hoe minder symmetrie, hoe meer interactie, dus hoe meer het is. Omgekeerd, gegeven een punt en deze 8 symmetrieën, kun je zeggen dat alle vierkanten met dit punt als centrum door deze 8 symmetrieën gedefinieerd wordt. Er bestaat dus een relatie tussen wat kan bestaan, en symmetrieën. In de wiskunde zegt men weer, dat deze 8 transformaties symmetrieën zijn van het vierkant, en dat het vierkant een invariant is onder de verzameling van deze 8 transformaties. Er is iemand geweest, Emmy Noether, die ontdekt heeft, dat je met een dergelijke aanpak, het begrip ‘natuurwet’ precies kunt maken. Een natuurwet is een beschrijving van een proces die altijd en overal kan plaatsvinden. Anders gezegd: transformeer een bepaald proces in ruimte en tijd, en het proces verloopt precies eender als daarvoor. Populair gezegd: juist doordat natuurwetten bestaan, kun je een experiment overal en altijd uitvoeren, die het proces die door de natuurwet wordt beschreven laat verlopen zoals deze door de natuurwet beschreven wordt. Vanuit transformaties gedacht betekent dat, dat als ik een transformatie uitvoer die een bepaald proces ‘verplaatst’ in ruimte en/of tijd, het proces precies op dezelfde manier verloopt, dus geen verandering ondergaat door die transformatie. Dat maakt, dat zo’n ruimte en tijdstransformatie een symmetrie is van elke natuurwet. En, omgekeerd, dat zo’n natuurwet een invariant is onder deze tijd en ruimte transformatie. Overigens houdt dat iets opmerkelijks in. Juist doordat natuurwetten, en alle structuren die het gevolg zijn van louter en alleen natuurwetten (dus de dode materie) geen verandering ondergaan onder een tijdstransformatie of een ruimte-transformatie bestaat er geen verleden en geen toekomst. Voor de natuur(kunde) bestaat alléén het nu! Emmy Noether heeft dit inzicht verdiept, en is op een opmerkelijk resultaat uitgekomen Zij ontdekte dat de binding tussen symmetrieën en natuurwetten véél enger is dan gedacht. Zij ontdekte dat specifieke universele natuurwetten gekoppeld zijn aan symmetrieën. Als je een verplaatsingstransformatie uitvoert, dan hoort daar een natuurwet bij, die ‘de wet van behoud van impuls’ genoemd wordt. En de bekende wet van behoud van energie bleek te horen bij de transformatie in de tijd. Wat Emmy Noether dus ontdekte, is dat bovengenoemd verband tussen symmetrie en natuurwet dus ook omgekeerd zo is. Niet alleen is elke natuurwet een invariant elke natuurwet hoort dus één of andere symmetrie. En, omgekeerd, zie je een symmetrie, dan kun je een natuurwet vinden die daarbij hoort. Een natuurwet is dus de invariant van de transformatie. Een natuurwet is een restrictie op wat mogelijk is. Kijk nu nog eens naar de stelling, dat het bestaan bestaat uit het totaal van alle interacties. Als een transformatie uitgevoerd wordt op het hele bestaan, en je ziet dat er door de transformatie er niets verandert in het bestaan, dan is deze transformatie een symmetrie van het bestaan, en het bestaan is een invariant onder deze symmetrie. Dat betekent meteen, dat deze transformatie vertelt dat een bepaalde interactie niet kan voorkomen. En daarmee vertelt deze transformatie, dat ‘iets wat wijzigt onder deze transformatie’ niet bestaat. Anders gezegd: symmetrieën duiden op ‘het afwezig zijn van bepaalde kenmerken’. Dus symmetrieën definiëren de mate waarin iets niet bestaat. Uit het feit, dat er veel meer symmetrieën zijn die de cirkel niet veranderen dan dat er symmetrieën zijn die het vierkant niet veranderen, laat zien dat een cirkel bijvoorbeeld geen hoekpunten, heeft terwijl een vierkant die wel heeft. Dus hoe meer symmetrieën er zijn, hoe minder structuur iets heeft. En daar ‘structuur’ hetzelfde is als ‘interactie’, en dat weer hetzelfde is als ‘zijn’, volgt hieruit dat een vierkant meer is dan een cirkel. Als we nu naar het heelal kijken, terwijl deze alleen maar uit ruimte bestaat, dan kunnen we de héle ruimte ‘opschuiven’ binnen de ruimte, en dat is dan een transformatie die de ruimte niet verandert. Dus een symmetrie. Dit kun je óók met de tijd doen. Einstein’s speciale relativiteitstheorie past dit op ruimte en tijd toe, en ‘definieert’ op deze manier in zekere zin wat we onder ruimte en tijd dienen te verstaan. Of, anders gezegd, het bestaan van deze symmetrie definieert ‘iets’ dat ‘invariant’ is onder deze transformatie. En daarmee wordt door deze transformatie de ‘tijdruimte’ gedefinieerd. Preciezer: een symmetrie definieert ‘nietsheid’. En daarmee wat onmogelijk is. Natuurwetten vormen het complement hiervan, want zij zijn de logische ontkenningen van deze symmetrieën, ‘dat wat overeind blijft na toepassing van deze symmetrieën’, en definiëren daardoor mogelijkheden. Elke natuurwet definieert wat mogelijk is. Dat wil nog niet zeggen, dat het dan ook bestaat, maar een natuurwet laat in feite zien, wat wel kan bestaan, terwijl een symmetrie laat zien wat niet kan bestaan.. Neem nu het meest extreme geval. Er is helemaal niets. In dat geval zal elke denkbare transformatie ‘niets uithalen’, en dus ‘er niets uithalen’, en dus is er totale symmetrie. Het begrip ‘niets’ is dus identiek aan ‘totale symmetrie’, wat weer hetzelfde is als ‘totaal verbod op alles’. En dat is hetzelfde als ‘totale structuurloosheid’, wat weer hetzelfde is als ‘totaal gebrek aan differentiatie’. Dus er is een verband tussen structuur, symmetrie, bestaan, mogelijkheid = natuurwet en niet-bestaan. Hoe meer symmetrie er is in het bestaan, hoe minder structuur, en ‘hoe minder er bestaat’. Omgekeerd, hoe meer structuur, hoe minder symmetrie, en ‘hoe meer er bestaat’. Men spreekt in de natuurkunde dan ook van ‘symmetrie-breuk’. En dat is dan kennelijk hetzelfde als schepping. Want als een symmetrie ‘gebroken’ is, dan wil dat zeggen dat een structuur daardoor mogelijk is, die daarvoor niet mogelijk is. Een ‘gebroken symmetrie’ is daarom hetzelfde als ‘het ontstaan van een natuurwet’. En dat is meteen een uitbreiding van het bestaan. Men benadert op dit moment de natuurkunde dan ook vanuit dit idee van ‘symmetriebreuk’, zonder overigens te beseffen, dat dit idee gelijk staat aan ‘schepping’. Zijn Dit alles laat óók zien, dat het verschil tussen ‘iets’ en ‘niets’ dus niet zo absoluut is als men denkt. Er bestaat een ongekeerd evenredige verhouding tussen ‘zijn’ en ‘symmetrie’, en een evenredige verhouding tussen ‘zijn’ en ‘natuurwet’. Een heelal die méér symmetrieën kent, .is minder dan een heelal dat minder symmetrieën kent. Is een symmetrie gebroken, dan wil dat meteen zeggen, dat er minder invariant is onder een verzameling symmetrieën, en dus dat er meer is! “Niets’ is dus hetzelfde als ‘totale structuurloosheid’, en dat is hetzelfde als ‘perfecte symmetrie’. Ruimte is al minder ‘structuurloos’, dus er is dan al méér ‘bestaan’. Ruimte is dus méér dan ‘niets’, maar minder dan ‘materie’. Zodrá er méér symmetrieën breken, ontstaan er nieuwe natuurwetten, en heeft de energie in het heelal meer mogelijkheden om structuren te vormen. Gegeven de hoeveelheid energie probeert het dan zoveel mogelijk van wat mogelijk is waar te maken. Zo zijn de elementaire deeltjes ontstaan. Dus als er deeltjes zijn, dan betekent dat meteen een situatie waarbij er nog minder symmetrie is, dus nog meer structuur. Gaan deze deeltjes samen, dan ontstaat er nog meer structuur, en nog minder symmetrie, en dus is ‘het bestaan’ nog meer uitgebreid. Een heelal, waarin zich dus ‘niets’ bevindt, is bevat ‘minder structuur’, en dat is hetzelfde als zeggen dat zo’n heelal dus ‘minder’ bevat. Waarom is het zo, dat het samengaan van deeltjes meer structuur oplevert? Dat komt omdat het samengaan van deeltjes leidt tot een soort van samenwerking van die deeltjes, die er uiteindelijk toe leidt, dat er uit deze samenwerking eigenschappen ontstaan, die niet terug te vinden zijn in de afzonderlijke deeltjes. Een simpel voorbeeld is water. Water bestaat uit waterstof en zuurstof. Zowel waterstof als zuurstof zijn bij kamertemperatuur gassen. Maar water is bij kamertemperatuur een vloeistof. Uit de chemie volgt, dat water zelfs een zeer complexe vloeistof is, die eigenschappen heeft die niet te vinden zijn bij zelfs vloeibare waterstof en vloeibare zuurstof. De simpelste eigenschap is wel, dat water in staat is tot het vormen van een vloeistof bij kamertemperatuur. Heel veel eigenschappen van chemische stoffen zijn niet terug te vinden in de elementen. Dat betekent dus, dat elementen die moleculen vormen, daardoor generators zijn van nieuwe eigenschappen. Dus toen de elementen chemische stoffen begonnen te vormen, was er meer structuur, dus minder symmetrie in het bestaan, en daardoor was het bestaan significant uitgebreid. Metafysisch gesproken, zodrá een heelal chemische stoffen bevat, bestaat er letterlijk meer in het heelal, en daardoor is er meer bestaan. De natuur beweegt zich kennelijk naar steeds grotere structuurvorming, dus naar het ‘breken van steeds meer symmetrieën’, wat meer mogelijk maakt. En, gegeven het materiaal, worden dan zoveel mogelijk van deze mogelijkheden gerealiseerd. Dat is ontstaan van informatie, wat meteen ontstaan is, dus schepping. Molecule Ik herinner mij eens een discussie die ik had met één van mijn leraren. Hij beweerde, dat alle materie uit moleculen bestond. Ik had in één van mijn boeken geleerd, dat pure metalen zoals ijzer, goud, zilver, wolfram etc. uit kristallen bestonden. “Waar zijn dan de moleculen?”, vroeg ik aan deze leraar. Hij kon hier geen antwoord op geven. Jaren later, toen ik in een boek van Linus Pauling zat te lezen, vond ik uiteindelijk het antwoord. Daar stond een definitie van het begrip “molecuul”. Volgens Linus Pauling is een molecuul de kleinste hoeveelheid van een zekere configuratie van atomen, die met zijn allen een bepaalde eigenschap tot stand brachten, die niet te vinden zijn in de afzonderlijke atomen. Dus een watermolecule is de kleinste hoeveelheid water, die nog nét alle eigenschappen van water heeft. Een watermolecule bestaat dan uit één zuurstofatoom en twee waterstofatomen. Haal een waterstofatoom weg, en je houdt iets over wat geen water meer is. Daarom bestaat een watermolecule uit precies één zuurstofatoom en twéé waterstofatomen. Een kristal is echter een ruimtelijke configuratie van atomen. IJzeratomen vormen een bepaalde ruimtelijke configuratie. Volgens deze definitie is dus de kleinste hoeveelheid ijzeratomen die zo’n configuratie vormt een kristal. Maar de kleinste hoeveelheid ijzer die nog nét alle eigenschappen van ijzer heeft, is één enkel ijzeratoom. Een ijzeratoom is dus, chemisch gezien, meteen een ijzermolecule. Er is dus een verschil tussen een kristal en een molecule, want voor kristallen heb je minstens een aantal ijzeratomen nodig. Tenzij, natuurlijk, de eigenschap het ‘kristal-zijn’ is. In dat geval moet de kleinste hoeveelheid ijzer die zo’n configuratie kan vormen opgevat worden als een molecule. En dan valt het begrip ‘molecule’ en het begrip ‘kristal’ samen. Dit voorbeeld laat zien, dat het ‘molecule-begrip’ niet éénduidig is. Het hangt af wat je selecteert als ‘definiërende eigenschap’. Waarom kom ik met dit voorbeeld aandragen? Kennelijk beweegt het universum naar steeds meer eigenschappen, en daarom naar steeds meer (zijn). Maar de manier waarop de eigenschappen tot stand gebracht worden verschilt óók. DNA Deze definitie van molecule: ‘de kleinste hoeveelheid van een stof die nodig is om een bepaalde eigenschap tot stand te brengen’ kan op véél meer dan chemie toegepast worden. Zo is het DNA-molecule het samengaan van een aantal aminozuren op zó’n manier, dat hierbij de eigenschap ‘replicatie’ ontstaat. Dit vormt de basis van het leven, want een levend wezen wordt erdoor gekenmerkt, dat het zichzelf kan nabouwen door gebruik te maken van de stoffen om zich heen, met gebruikmaking van de informatie gecodeerd op het DNA-molecule. Maar het DNA-molecule repliceert zich allang niet meer louter chemisch. Het bouwt een uitgebreide structuur, een levend wezen, dat dan allerlei eigenschappen heeft die het mogelijk maken om stoffen uit de omgeving op te nemen. Wat ik wil zeggen is dit: een plant of een dier moet dan opgevat worden als generalisatie van het begrip ‘molecule’. Want een plantensoort of een diersoort wordt als zodanig geïdentificeerd doordat het verschilt van andere planten en dieren. Kortom, we vinden hier weer de ‘zijn = onderscheiding’ opvatting terug. Bovendien, juist doordat het DNA-molecule structuren maakt aan de hand van de informatie die zich op het DNA-molecule bevindt, maakt dit, dat de ‘structuurvorming’ niet louter en alleen een kwestie van natuurwetten alléén meer is. Preciezer: met het DNA-molecule is een nieuwe vorm van ‘structuurvorming’ in het bestaan gekomen, die afwijkt van ‘natuurkrachten’. Dus een nieuwe bestaansvorm. Een bestaansvorm die weliswaar bouwt op materie, maar die essentieel anders is. De geboorte van het Verleden Er is met name één transformatie, die gebroken wordt door het DNA-molecule, en dat is de tijdstransformatie. Doordat het DNA-molecule een informatiedrager is, vormt het structuren onder invloed van processen die zelfs ver in het verleden begonnen zijn. Anders gezegd, dankzij het DNA-molecule krijgt de metafysische term ‘verleden’ betekenis. Met het DNA-molecule komt het verleden in het bestaan! De vraag is: waar precies vindt de overgang plaats tussen ‘dode materie’ als bestaansvorm, en ‘levende materie’ als bestaansvorm? Eigenlijk is dit allang bekend, zonder dat men besefte dat men een antwoord had op deze vraag. Één van de zaken waar natuurkundigen werkelijk ‘knettergek’ van worden, is de quantummechanica. Deze laat namelijk zien, dat de natuur waarin ingegrepen wordt anders is dan de natuur waarin niet ingegrepen wordt. ‘Ingrijpen’ is wat een DNA-molecule doet, als het, gebruik makend van zijn informatie, de processen in de natuur een richting opstuurt die het mogelijk maken een kopie van zichzelf te maken. Het DNA-molecule is, zo gezien, zelf bezig zijn structuur op de werkelijkheid te brengen. Want als een DNA-molecule een kopie maakt van zichzelf, en slaagt erin, dan bestaat er daarmee meteen een ruimtetransformatie die de éne DNA-molecule afbeeldt op de andere, en wel zo, dat er geen verschil is in wat wij zien voor de transformatie en na de transformatie. Kortom het nabouwen van het DNA-molecule van zichzelf is een symmetrie-transformatie. Het DNA-molecule vormt dan zelf de invariant van deze transformatie. Maar dat betekent dat er een nieuwe vorm van structuurvorming in het bestaan is gekomen, die nét zo fundamenteel is als die van de natuurwetten zelf. En dat betekent dat alle structuren die onder invloed van het DNA-molecule tot stand komen manifestaties zijn van een nieuwe, hogere bestaansvorm. Een bestaansvorm, die afwijkt van tijdruimte en dode materie. Natuurkundigen hebben nog steeds niet door, dat de quantummechanica in feite de overgang beschrijft tussen de oude, op het begrip ‘natuurwet’ als zodanig gebouwde structuurvorming, en de nieuwe, op het DNA-molecule gebouwde structuurvorming. Het beschrijft de symmetrie-breuk die het DNA in het bestaan heeft gebracht. Want de quantummechanica zegt dat de processen ‘mezus en mezo’ verlopen tenzij een levensvorm de stoffen op een andere manier rangschikt. Tijdens die herrangschikking worden de natuurwetten tot op zekere hoogte, tijdelijk ‘uitgeschakeld’. En wel in een mate, die door de zogenaamde Heisenberg-relaties precies beschreven is. Pas als niet ingegrepen wordt, dan kunnen de natuurkrachten de processen weer in de richting laten verlopen die door de klassieke natuurwetten voorspeld kunnen worden. Daarmee introduceert het DNA-molecule een nieuwe bestaansvorm. Eentje, die informatie als ‘vormende basis’ heeft. Belangrijk is om te beseffen, dat met het DNA-molecule het bestaan in feite een nieuwe fase van differentiatie is ingetreden. Er is nu een ‘vormende kracht’ die aan informatie gebonden is, en niet alleen aan energie, zoals met de natuurwetten het geval is. Zo gezien bestaan het begrip ‘natuurwet’ en het begrip ‘informatiedrager’ weliswaar op gespannen voet, maar vanuit differentiatie gezien stellen ze verschillende niveau’s van structuurvorming voor, en daarmee verschillende niveau’s van bestaan. Dit leidt dan tot de conclusie, dat ‘levende materie’ op een hoger plan staat dan ‘dode materie’, temeer daar levende materie dode materie kan rangschikken die niet zou bestaan als er alléén maar natuurwetten werkzaam zijn. We kunnen dus naar de planten en dieren, gezien vanuit het perspectief van de natuurwetten zienals generatoren van symmetrie-breuk, en dus van nieuwe eigenschappen. Maar vanuit het leven zelf introduceert het een nieuw type symmetrie, namelijk ‘replicatie’. Sterker nog, natuurwetten hebben als eigenschap, dat ze volledig tijd en ruimte-onafhankelijk zijn. Vanaf een bepaald punt in de historie van het Heelal ontstonden er geen nieuwe natuurwetten meer. Onder invloed van natuurwetten zou de differentiatie tot stilstand komen. Omdat elke DNA-molecule in principe zichzelf kan repliceren, vormt deze replicatie een nieuwe transformatie, en het DNA-molecule zelf vormt de invariant van die transformatie. Wat we dus kunnen zien, is dat de rol van ‘symmetrie-breuk’ die voordien de natuurwetten opleverde, niet meer nodig is voor verdere differentiatie. Er zijn nu structuren gebouwd op natuurwetten, die hun eigen orde van symmetrie/invarianties voorstellen. Letterlijk en figuurlijk een nieuwe bestaansvorm, die weliswaar gebouwd is op de chemie, maar zijn eigen ontologische/metafysische kader vormt. Elke nieuwe levensvorm is een nieuwe invariant. Elke DNA is een nieuwe replicator, en dus een nieuwe symmetrie. Sterker nog, het leven zelf begon steeds meer grote klassen van dominante levensvormen te creëren. Laten we eens naar 3 eigenschappen kijken: ‘lopen’, ‘zwemmen’, ‘vliegen’. Lang geleden waren er alleen insekt-achtigen. Deze klasse van dieren bevatte leden die die drie eigenschappen hebben. Later ontstonden de reptielen. Deze bevatten ook leden, die lopen, vliegen en zwemmen konden. Reptielen hebben echter geen individueel leervermogen. Als er iets in de omgeving wijzigt, gingen generaties dood., totdat de genetische code een wijziging onderging waardoor er een overlevende ontstond, die om kon gaan met de wijziging. Dus als de omgeving slechts gering verandert, dan kon de genenpool meeveranderen. Maar als er een plotselinge, en radicale verandering in de omgeving ontstond, dan konden ze allemaal doodgaan. En dat is ook wat af en toe gebeurde. Het heeft bijvoorbeeld tot het einde van de dinosauriërs heeft geleid, want een meteoorinslag veranderde de condities op de aarde zó plotseling, zó radicaal, dat dinosauriërs die groter waren dan een bepaalde grootte allemaal dood gingen. Toen ontstonden de zoogdieren en vogels. Er bestaan zwemmende zoogdieren, lopende zoogdieren en vliegende zoogdieren. Ook bestaan er zwemmende vogels, lopende vogels en vliegende vogels. De meeste zoogdieren lopen, en de meeste vogels vliegen. Dus deze twee dierklassen waren in concurrentie, en namen een bepaald gebied van mogelijkheden in. Toch is er nog iets anders aan zoogdieren te zien. Ze hebben een individueel leervermogen. Een nieuwe replicator deed zijn intrede in het bestaan. Eerst alleen maar als aanvulling, maar steeds meer uitgroeiend. Door dit individuele leervermogen ontstond er geleidelijk aan een nieuwe bestaansvorm. Dankzij het individuele leervermogen heeft de klasse van zoogdieren meer eigenschappen dan die van de reptielen, en is dus meer. Of, als we ze vergelijken met de dinosauriérs, er waren meer dinosaurus – soorten nodig om dezelfde eigenschappen tot stand te brengen als er zoogdiersoorten nodig waren. Maar dat betekent, vanuit structureel oogpunt gezien, dat de zoogdieren complexer, dus meer structuur hebben, dus minder symmetrisch zijn. Waarom? Omdat een individueel leervermogen betekent, dat er variaties in eigenschappen bestaan binnen een soort. De ervaring van één lid van een soort is immers anders dan de ervaring van een ánder lid van de soort? Een ‘transformatie’ die één lid van de soort op een andere afbeeldt, is daardoor geen symmetrie meer. Dus is het zo, dat een dierklasse wiens leden een individueel leervermogen hebben, een kleinere symmetrie hebben, dus meer structuur hebben. En dat betekent, dat het bestaan door het bestaan van zo’n klasse significant uitgebreid is. Er is, juist door zo’n soort, meer bestaan, omdat er meer verschillen zijn, en dus is er meer. Wat we dus zien in de ontwikkeling van het leven op aarde, is dat er geleidelijk aan minder diersoorten ontstaan binnen een bepaalde dominante levensvorm, maar dat ze per diersoort meer kunnen. Er bestaan letterlijk miljarden verschillende soorten bacteriën, die allemaal per soort héél weinig kunnen. Er bestaan honderden miljoenen soorten insecten, die per soort weliswaar méér kunnen dan bacteriën, maar veel minder kunnen dan Dinosauriërs. Er bestonden veel meer soorten dinosauriërs dan zoogdieren, maar per soort konden ze minder. Er vond dus een ontwikkeling plaats naar minder soorten, maar die soorten konden per soort meer. Daardoor ontstonden er klassen van dieren met minder symmetrie, met meer eigenschappen. De geboorte van de Toekomst Deze ontwikkeling culmineerde uiteindelijk in de mens. Één soort die alles kan waarvoor vroeger meer diersoorten nodig waren. De mens heeft, dankzij zijn taal, niet alleen het vermogen om zijn individuele ervaringen op te slaan, maar bovendien is hij in staat van de ervaringen van anderen te leren. En zelfs te leren van de ervaringen van generaties uit het verleden. En zelfs daar houdt het niet op. Hij kan zich een voorstelling vormen van iets wat nog helemaal niet bestaat, en nadenken over hoe hij zijn kennis kan gebruiken om dit te realiseren. Hij kan, met andere woorden, de informatie verwerken. De mens is de énige bestaansvorm, die voor zijn overleving afhankelijk is van zijn individuele leervermogen. Dat maakt dat de opvatting dat de mens ‘slechts een andere diersoort is’ een totale misopvatting. De mens is niet alleen geen diersoort, maar meer dan dat. Het is een totaal nieuwe levensvorm, zoals de meercellige een nieuwe levensvorm was gezien vanuit de ééncellige. Of zoals de reptielen een nieuwe levensvorm waren gezien vanuit de zeedieren. De mens is zelfs meer dan een nieuwe levensvorm. Hij is zelfs een nieuwe bestaansvorm, zoals het leven een andere bestaansvorm was vergeleken met de dode materie. En dat houdt een opmerkelijk feit in. Want de mens is uit de evolutie getreden! Maar dat betekent dat er, met de mens iets nieuws in het bestaan is gekomen. De metafysische categorie, die wij toekomst noemen. Voor de natuurwetten bestaat alléén het ‘nu’. Voor de dieren bestaat het ‘nu’ en het verleden. Maar alleen voor mensen bestaat verleden, nu en toekomst. Een radicaler onderscheid tussen mens en de rest van het bestaan is nauwelijks denkbaar. Evolutie is ‘mutatie + selectie’. Het is ‘aanpassen of sterven’. Het is de manier waarop dieren overleven, want alle dieren, zelfs die met een individueel leervermogen, overleven door zichzelf aan de omgeving aan te passen. De mens uit het feit dat hij een nieuwe bestaansvorm is, door een fundamenteel andere vorm van overleven. Hij overleeft door zijn omgeving aan zichzelf aan te passen. Dieren worden gedefinieerd door het DNA. De mens definieert zichzelf. Hij doet dat, door een vorm van overleving bij zichzelf aan te brengen! Dat betekent, vanuit diersoort – perspectief gezien, dat elk mens totaal kan verschillen van elke medemens. Dat is de ultieme differentiatie, en daardoor de meest significante uitbreiding van het bestaan. Dit is de ultieme symmetrie-breuk! De mens vertegenwoordigt een overgang van evolutie naar revolutie. Het dier past zichzelf aan aan zijn omgeving. De mens past zijn omgeving aan aan zichzelf. Het dier kan zijn denken, voorzover daar sprake van kan zijn, nauwelijks wijzigen. De mens kan zijn denken radicaal wijzigen, (dat is wat de term ‘revolutie’ betekent) en kan zich zolang hij leeft, totaal herdefiniëren. Een leeuw blijft een leeuw. Een antilope blijft een antilope. Ze kunnen alleen op hun manier overleven. Een schilder kan echter een natuurkundige worden enzovoort. Dus de manier waarop iemand overleeft kan hij wijzigen. Deze vrijheid heeft geen enkel dier. Bekijk het ook eens vanuit informatie-drager perspectief. Bij alle levensvormen, behalve de mens, komt de levensvatbaarheid ofwel uitsluitend uit het DNA-molecule (ééncelligen, planten, reptielen), ofwel voornamelijk uit het DNA-molecule, en dan enigszins aangevuld door een individueel leervermogen (zoogdieren). Maar bij de mens komt de levensvatbaarheid niet uit het DNA-molecule alleen. Hij heeft meer nodig. Het DNA-molecule construeert een informatieverwerker, die dan voor de opgave staat om zichzelf te definiëren. Dat vraagstuk is dan het toekomstvraagstuk voor hem. De mens is hier zelfs afhankelijk van. Er heeft dus een omslag plaatsgevonden. Wat eens bijzaak was, het leervermogen, is hoofdzaak geworden. (Letterlijk en figuurlijk.) En dat wat eens dominant was, moest ‘overruled’ worden. Een mens heeft nog wel wat ‘instincten’. Maar als hij daar zijn gedrag op gaat bouwen, en zich niet ontwikkelt, dan zien we het gedrag zoals we dat in veel onderontwikkelde culturen zien. Een enorme focus op seks, bijvoorbeeld, en een ‘enorm inkapselgedrag om de vrouwtjes buiten ‘the picture’ te houden’. (Ik zie dat dagelijks om mij heen, want ik leef midden tussen de Turken, Marokkanen etc.) Het is dus zaak om je te ontwikkelen. Want zo overrule je deze resten van onze dierlijke kant. En juist daardoor kunnen wij ‘waarachtig mens’ worden. Het belangrijkste punt is echter, dat juist doordat de mens alles kan, en zelfs beter kan dan willekeurig welk dier, en hij zelfs zaken kan die geen enkel dier kan (op de maan lopen, robots naar Mars sturen, en er zelfs heengaan) de mens de logische volgende stap is in het proces van differentiatie zoals dat in de kosmos vanaf het allereerste begin heeft plaatsgevonden. Technologie Eerst ontstond ruimte en tijd, het tijdperk van de hyperinflatie. Toen ontstond de dode materie, de natuurwetten en het ‘nu’, wat maar stenen, al dan niet gloeiend, (zonnen) mogelijk maakt. Toen ontstond het leven, dat eerst de eencellige, en later planten en dieren mogelijk maakten. Dat is wat wij ‘de natuur’ noemen. Dit is in feite een laag bovenop de stenen. En zo veroorzaakt, juist het feit, dat de levensvatbaarheid van de mens niet langer uit het DNA-molecule stamt, maar uit zijn brein, een nieuwe bestaanslaag bovenop de ‘stenen’ en het biologische leven. En dat is de technologie-laag. De technologie vormt dus geen aanval op de biologische laag, maar een volgende fase in het bestaan. Toch blijven mensen afhankelijk van de biologische laag. Maar de stelling die die ‘milieuknakkers’ kennelijk verdedigen is volkomen absurd. Zij nemen terecht waar, dat de technologie van de mens totaal verschilt van alles wat in de natuur bestaat. Ze plaatsen daardoor de mens buiten de natuur, en dat is nog correct ook. Maar ze doen meer. Ze plaatsen de mens zelfs buiten het bestaan als zodanig, en zien het als een vergissing van de natuur, dus als een parasiet. De natuur heeft zich echter niet vergist. Zij vergissen zich. Dankzij de mens, en zijn technologie, is er letterlijk meer dat bestaat, en is het bestaan dus significant uitgebreid. Niet alleen technologisch, maar zelfs metafysisch (ontologisch). Ongetwijfeld hangen wij af van de biologische laag. Zonder ruimte geen plaats en tijd (events) voor materie. Zonder de natuurkundige laag geen chemische laag, en zonder een chemische laag geen biologische laag. En zo ook, zonder de biologische laag geen technologische laag. Maar je mag de biologische laag niet boven de technologische stellen, en dus de conclusie trekken dat wij geen gebruik mogen maken van de natuur. Want de biologische laag is gebouwd op de natuurkundige laag. Alle levende wezens bestaan uit chemische stoffen. In de biologische laag zijn zelfs twee lagen te zien. Planten ‘maken zichzelf’ van energie en stenen, en dieren maken zichzelf van planten. En zo is te zien, dat er niets op tegen is dat wij, mensen, gemaakt zijn van stenen, planten en dieren. Het is eigenlijk ingewikkelder, want de mensheid is niet één ontologische laag, maar blijkt óók in lagen te bestaan. Zo heb je de ‘bestaans-mens’. Dit is in feite de jager, die aan het uitsterven is. Je hebt de ‘levens-mens’, dit zijn in feite de boeren. Zij maken gebruik van de biologische laag om ons in staat te stellen te leven. Deze mensen vormen in feite de basis van de hierboven genoemde technologische laag. Je hebt de ‘samenlevings-mens’. Dit is in feite de mens, die geld als hoogste goed ziet. Deze samenlevings-mens maakt een laag bovenop de technologische laag. En dat is de economische laag. En zo bestaat er óók nog de ‘innerlijke-mens’. Deze ziet zijn bewustzijn als zijn hoogste goed. Van deze laatste soort zijn er nog nauwelijks ‘exemplaren’. De mensheid worstelt op dit moment nog met de samenlevingsproblematiek, dus met zijn emoties, en ziet niet hoe de samenlevingsmens, de ‘homo economicus’ in harmonie kan leven met de ‘homo vitalis’, de boer. Als je bonthandel verbiedt, dan leidt dat niet tot een ‘harmonie tussen dieren en mensen’, maar juist door het ontbreken van een economisch belang van het bestaan van pelsdieren, tot het uitsterven van die dieren. Als mensen geen koeien meer nodig hebben, dan leidt dat niet tot een ‘harmonie tussen koe en mens’, maar tot de nuchtere constatering, dat koeien nodeloos ruimte in beslag nemen, en dus maar moeten verdwijnen. Tot zover is hij nog een beetje te volgen, maar dan loopt hij aan de hand van de achttiende eeuwse filosoof Jeremy Bentham definitief de morele afgrond in. Nee hoor, hij liep al in de morele afgrond. De schrijver van dit artikel had het alleen nog niet door. Bentham beweerde dat je altijd het 'grootst mogelijk geluk voor het grootst mogelijk aantal mensen' moet nastreven. Omdat Singer geen onderscheidt maakt tussen mens en dier kom je met zijn theorie tot hele rare conclusies. Een kind loslaten in een kooi met tien leeuwen is niet langer verwerpelijk. Want reken maar dat die leeuwen hun hart ophalen en het geluk van die tien leeuwen weegt volgens Singer zwaarder dan het ongeluk van dat ene kind. Ik overdrijf niet. Bill Devall, een volgeling van Singer, geeft in zijn boek Simple Means dit voorbeeld. Stel nou dat hij een ratelslang in de kamer van zijn zoontje zou aantreffen, wat dan? Doodslaan mag niet zomaar, 'want mensen hebben geen privileges boven het dier'. Na veel filosofisch gedoe komt hij tot de conclusie dat hij, zij het met bezwaard gemoed, die ratelslang toch maar dood zal slaan. Oef, dat was op het nippertje. Ben benieuwd wat zijn zoontje daarover denkt als hij later het boek van zijn pa leest. Die zal wel éven verdwaasd worden door de opvoeding van zo’n vader. Het merkwaardige is dat niemand van Singers volgelingen in de gaten heeft dat je zijn redenering ook om kunt draaien. Als de mens niet boven het dier staat, waarom zou de mens zich dan niet als elk ander dier mogen gedragen? Precies! Het grootste verwijt aan de jagers is dat ze jagen om het plezier. Ze hebben er lol aan. Maar je hoeft alleen maar een kat met een muis zien spelen om te weten dat roofdieren jagen verdomde leuk vinden. Waarom zou het mensendier niet mogen wat elk ander dier wel mag? Met Singer in de hand zou je de jacht juist moeten toejuichen. De jacht verbieden is je reinste 'soortisme'. Met Singer kun je dus alle kanten op. Ook gevaarlijke. Wat zou u doen als u met het doden van één mens de dood van miljoenen mensen kunt voorkomen? Moeilijke vraag. Helemaal niet moeilijk. Het hangt ervan af of die éne mens, of al die miljoenen mensen in hun recht staan. Miljoenen Duitsers werkten mee aan het uitmoorden van miljoenen Joden. Maar zelfs als die miljoenen Duitsers het gemunt hadden op slechts één Jood, dan was er al sprake van een flagrante schending van het recht. De vraag is dus verkeerd gesteld. Hij moet luiden: wie heeft het recht aan zijn kant? Als die miljoenen mensen het recht niet aan hun kant hebben, maar met flagrante rechtsschending bezig zijn, en die éne mens staat in zijn gelijk, dan is die éne mens gerechtigd om die miljoenen mensen, in een daad van zelfverdediging, te doden. Die éne Jood zou dus, geconfronteerd met al die Nazi-Duitsers die hem willen lynchen, zonder dat hij aan ook maar iets schuldig is, het recht hebben om een atoombom op hun Nazistische hete hoofden te gooien, als dat de daad is die nodig is om zijn leven te redden. Want hij staat in zijn recht, niet die miljoenen die hem dood willen. Recht heeft niets met aantallen te maken. Maar de vraag wordt nog pijnlijker als je met Singer mens en dier gelijk stelt. Wat zou u doen als je met het doden van één mens de dood van miljoenen dieren kunt voorkomen? Volkert van der G. moet die vraag bij zichzelf hebben gesteld en we weten nu zijn antwoord op die vraag. Jehde Konsequenz führt zum Teufel. Drugsgebruik Nog even over stimulerende middelen. Volgens het Libertarisme is elke volwassene eigenaar van zijn eigen lichaam. Hij mag er dus mee doen wat hij wil. Dus óók drogeren, of wat dan ook. Iemand die stimulerende en/of verdovende middelen, of vormen van sportdoping etc. wil gebruiken, heeft het volledige Libertarische recht om dat te doen. En als er groeperingen zijn, die hier tegen strijden, dan zijn ze bezig met een schending van dat recht. Dus alle overheden die bezig zijn met het vervolgen van drugsbaronnen etc. zijn bezig met rechtsschending. Al dat ‘dopings-gewauwel’ in de sportwereld vind ik óók maar klinkklare onzin. Waarom zou ‘zwaar trainen’ wél mogen in de sportwereld, en doping niet? Eigenlijk zouden we een Libertarische Olympische Dopingsspelen moeten organiseren. Zal een behoorlijke klap in het gezicht zijn van die puriteinen. Zie je hoeveel er volgt uit het simpele feit, dat iedere volwassene eigenaar is van zijn eigen lichaam? En dan heb ik het nog niet eens gehad over het eigenaar zijn van de resultaten van eigen arbeid. Dat maakt nog véél en véél meer punten duidelijk. |
|